DonUmberto

donderdag, maart 24, 2005

zaterdag 19 tot en met woensdag 23 maart

Zaterdag 19 maart 2005

Na het ontbijt wordt de boel ingepakt en naar de auto gebracht. Het is opnieuw een geweldige week geweest en het is niet gemakkelijk om afscheid te nemen van Dario, Marco en Giovanni (Laura is werken). Ondanks het leeftijdverschil heb ik me hier weer eventjes student gevoeld. Op weg naar Toscane wordt het plotseling mistig en koud. De temperatuur zakt van 25 naar 8 graden en er ligt sneeuw in de Apennijnen. Door de zomerse waarden van de afgelopen week ben ik bijna vergeten dat de lente eigenlijk nog moet beginnen. Rond 13.00 uur ben ik al in San Donato in Poggia. De auto zet ik even aan de rand van het dorp neer want het steegje waar het huisje van Jet en Jan van Herwaarden staat is zo smal dat je er met een auto niet door kunt. De overbuurvrouw heeft al op me gerekend. Ze laat het huisje van binnen zien en hoe alles werkt. Het huisje is klein en smal. De voordeur geeft direct toegang tot een kleine woonkamer met daarin een tree lager het keukentje. Verderop is een opbergkamertje, een sort bezemkast, met daarnaast de badkamer. Op de eerste verdieping is een slaapkamer waar je doorheen moet om met de trap naar de tweede verdieping te gaan naar een even grote slaapkamer met een piepklein badkamertje. Dit is mijn onderkomen voor de komende twee weken. Nadat ik alles uit de auto naar binnen heb gesleept, maak ik een korte rondwandeling door het dorp. Het is een oud middeleeuws plaatsje, heerlijk rustig en toch alles bij de hand. Om de hoek is een bank met pinautomaat, een Coop-winkeltje, een bakker, een slager en een slijterij. Wat wil je nog meer! De rest van de middag doe ik rustig aan, installeer me een beetje, lees en slaap wat en ga daarna in ieder winkeltje van het dorp boodschappen doen zodat ze mijn gezicht kennen. Dan gaat de telefoon. Elly vertelt dat van de drie mensen die vandaag met het vliegtuig van Brussel naar Pisa zouden vliegen, alleen Huub Hacking aan boord is. Mijn oud-buurman in Nijmegen, Sjef van de Wiel (van uitgeverij de SUN), heeft vergeten afgelopen maand zijn paspoort te verlengen en mag het vliegtuig niet in. Jeske Nelissen, zijn vrouw, verklaart zich solidair met hem en gaat ook niet mee. Na lang dubben besluiten ze samen met de auto van Brussel door te rijden naar Italië. Vervelend, maar wel goed dat ze dat doen, anders ga je terug naar huis met een vreselijke kater. Na weer een telefoontje krijg ik te horen dat ik Huub om 19.30 uur bij het station in Florence moet ophalen. Op weg er naar toe kom ik vast te zitten in het verkeer. De bewegwijzering is vreselijk slecht en tot overmaat van ramp rijdt er een haveloos geklede oude Italiaan, gewapend met een sigaret in zijn mondhoek, met een flinke klap achterop mijn auto tegen mijn trekhaak aan. Niks aan de hand zegt hij en gelukkig is dat voor mijn auto ook zo, maar bij hem is het nummerbord helemaal ingedeukt. Dat valt niet op tussen alle andere deuken. Na drie vergeefse pogingen om bij het station te komen, parkeer ik de auto aan de kant van de weg en loop verder. Bij het station zie ik Huub net aankomen met een hotdog in zijn hand. De ontmoeting is hartelijk. Weer het drukke avondverkeer in en na ruim een uur lukt het ons uit het drukke centrum te ontsnappen. Bij aankomst in San Donato besluiten we maar bij het restaurantje om de hoek een pizza te eten. We brengen de avond verder genoeglijk door met het vertellen van allerlei verhalen onder het genot van enkele glazen wijn. Sjef en Jeske laten ons via een sms-je weten dat ze overnachten in Colmar en morgenvroeg verder gaan.

Zondag 20 maart

De dag begint bewolkt als we in de auto stappen op weg naar Monteriggioni. Je ziet het plaatsje rechtsboven op een heuvel liggen op weg van Florence naar Siena. Ik ben hier enkele jaren geleden met Elly en de kinderen al eens geweest en vond het toen al een leuk plaatsje. Het is vooral bekend geworden door een fragment uit Dantes Hel, vlak voor ze bij Lucifer terecht komen. Als ik me goed herinner zegt Dante dat hij reuzen ziet aankomen die zo groot zijn als de torens van Monteriggioni. Een tweeregelig citaat van dit vers vinden we bevestigd aan de buitenmuur naast de toegangspoort die het minst gebruikt wordt. We lopen het kleine plaatsje helemaal door, kopen 6 flessen Chianti-wijn van Monteriggioni en besluiten daarna verder te rijden naar Siena. Ondertussen is het heerlijk weer geworden. We lopen door naar het centrum van de stad, waar het prachtige schelpvormige plein, het Piazza del Campo, veranderd is in een hete bakoven. Er zitten massa’s mensen midden op het plein op de grond. We nemen een cappuccino buiten op het terras bij Bar il Palio en genieten van de heerlijke atmosfeer op het plein en van het lekkere weer. Via een sms-je vernemen we dat Sjef en Jeske verwachten rond 15.00 uur in San Donato aan te komen. Na een bezoekje aan de Dom en het eten van een ijsje (mijn eerste dit jaar!), gaan we terug naar het huisje. Daar zijn Sjef en Jeske ondertussen gearriveerd. Ze hebben flink doorgereden! We maken een heerlijke wandeling in het zonnetje door de omliggende heuvels, o.a. langs een fabriekje waar ze prachtige terracottaproducten maken. Als het me zou lukken hier nog iets van mee te nemen, dan doe ik dat zeker. Bij thuiskomst begin ik alvast met het klaarmaken van de pasta, onder het genot van de nodige glaasjes wijn. Het smaakt weer prima allemaal. Na het eten wordt er gelezen en werk ik aan mijn verslag. Daarna is het bedtijd. Morgenvroeg moet ik er vroeg uit om naar Jaap Dronkers in Fiesole te gaan.

Maandag 21 maart

Afgelopen nacht hoorde ik gestommel in huis en ging naar beneden. Het bleek Huub Hacking te zijn die met zijn opklapbare bed verhuisd was naar de bezemkast in de hoop daar geen last meer te hebben van het indringende gezoem van de koelkast. Ideale plek om te slapen lijkt me … . Vanochtend vroeg ben ik op pad gegaan naar een voorplaatsje van Fiesole: San Domenico di Fiesole. Daar is Jaap Dronkers werkzaam aan de European University Institute, Department op Political and Social Sciences (zie ook: www.iue.it/Personal/Dronkers), met als functieomschrijving Chair Social Stratification and Inequality. Op hetzelfde instituut is ook Rick van de Ploeg werkzaam, voormalige PvdA staatssecretaris van Cultuur. In de werkkamer van Dronkers heb ik anderhalf uur durend gesprek met hem, vooral over nationale en internationale vergelijkingen van schoolresultaten. Daarover heeft hij onder meer contact met Erna Gille van het Cito i.v.m. het Pisa-project (een internationale vergelijking van schoolresultaten van 15-jarigen). Hij is een beetje gepikeerd over het feit dat bij het Nederlandse Pisa-onderzoek geen gedetailleerde gegevens bekend zijn van de landen van herkomst van allochtone leerlingen, terwijl dat bij de meeste andere landen, uitgezonderd Frankrijk, Canada en de Verenigde Staten, wel bekend is. Nederland sloeg al geen best figuur enkele jaren geleden toen er te weinig representatieve onderzoeksresultaten waren als gevolg van een te geringe deelname van scholen. Toch is hij zeker niet gekant tegen een instituut als het Cito. In de Volkskrant van 15 januari jl. schreef hij nog: ‘(…) Dat betekende zo objectief mogelijke examens, waarin kennis en vaardigheden werden getoetst en geen culturele bagage of flair. Hiervan is in Nederland alleen nog het Cito overgebleven en links heeft sinds 1970 veel gedaan om ook dit af te schaffen.’ In Nederland is hij vooral bekend geworden als de persoon die een vergelijking van scholen publiceerde in Trouw en dat beoordeelde met een soort rapportcijfer. Reden voor mij om contact met hem te zoeken. Er zijn volgens hem drie problemen bij het huidige Pisa-project: 1) de namen en de resultaten van de deelnemende scholen worden niet bekend gemaakt, terwijl dat voor het publieke debat nodig is 2) het zijn geen eindexamens, maar tussentijdse toetsen, alleen voor 15-jarigen, die niet meetellen voor een cijfer 3) er worden vooral vaardigheden getoetst en vrijwel geen kennis. Op mijn vraag of het dan niet mogelijk is schoolresultaten en de waarde van diploma’s te vergelijken tussen landen als Nederland en Italië, geeft hij als antwoord dat het op twee manieren wél mogelijk is: ten eerste door de data te gebruiken van het internationale Pisa-onderzoek m.b.t. schoolprestaties in het algemeen en ten tweede door te onderzoeken hoe leerlingen op de arbeidsmarkt terecht komen. Voor dit laatste heeft Roel van de Velde in Maastricht een vergelijkend onderzoek gedaan (‘Transitions in youth’), maar helaas opnieuw zonder te weten van welke scholen de gegevens afkomstig zijn. Waardoor worden leerlingenprestaties beïnvloed? Dat zijn vooral de achtergrondkenmerken en het schoolklimaat. Vooral de sfeer op een school is erg belangrijk. Een belangrijke bron van informatie hiervoor is het NIBUD (het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting). Zij doen al sinds 1984 geregeld scholierenonderzoeken onder leerlingen van een groot aantal scholen in het voortgezet onderwijs. Het doel van dit scholierenonderzoek is het in kaart brengen van gedrag, gezondheid, opvattingen en ideeën van deze generatie scholieren. De sfeer op scholen wordt daarin meegenomen en dat is een indicatie voor leerlingenprestaties. Zijn stelling is: ‘goede sfeer en veel leren liggen in elkaars verlengde’. Ik ben benieuwd wat Dronkers er van vindt om een keer een vak als geschiedenis mee te laten doen in het Pisa-project in plaats van iedere keer opnieuw taal, rekenen of andere exacte vakken. Recentelijk heb ik daarover nog contact gehad met Jules Pesschar uit Groningen. Hij is de persoon die voor het Nederlandse Pisa-project in de OECD in Parijs zit. Het zou beslist de moeite waard zijn om dat te onderzoeken, mailde hij me kort geleden nog. Volgens Dronkers zullen de schoolresultaten er hierdoor niet wezenlijk anders uit gaan zien. Het zou wel de acceptatiegraad van het onderzoek verhogen. Maar áls er dan toch meer geld aan Pisa besteed zou moeten worden, wat niet te verwachten is, dan zou hij liever een longitudinaal onderzoek willen zien, zoals een vergelijking van resultaten tussen 15 en 18-jarigen. Als we het over Italië hebben in het kader van internationale leerstandaarden, zoals het baccalaureaat, valt het volgens Dronkers op dat er veel aanvragen zijn voor onderzoekplaatsen en beurzen uit alle EU-landen, maar dat die minder snel toegewezen worden aan Italianen vanwege aanzienlijke achterstanden in de moderne vreemde talen. Die talen zijn gewoon noodzakelijk voor wetenschappelijke onderzoeken. Veel Italianen beschouwen het internationale onderzoekscircuit als een ‘way out’ uit hun systeem. Het verbaast hem trouwens dat veel jongeren zich verzetten tegen een liberalisering van de arbeidsmarkt in Italië. Ze laten zich daarbij wellicht eerder leiden door anti-Berlusconi-sentimenten dan door hun eigen belangen. De Italiaanse arbeidsmarkt zit dicht: het is weinig flexibel, tijdelijk werk of arbeidsbureaus komen vrijwel niet voor en er is sprake van veel coöptatie en vriendjespolitiek. Je komt er als jongere bijna niet tussen. Zij hebben er juist baat bij als de arbeidsmarkt flexibeler wordt. Bovendien moeten ze er rekening mee houden dat er in de toekomst sprake zal zijn van een internationale diplomaconcurrentie waardoor een Italiaans diploma wel eens weinig waard zou kunnen blijken te zijn. Daarom zou een Italiaans Cito geen gek idee zijn: centrale examens om scholen ‘binnen de touwen’ te houden en waarbij sprake is van kwaliteitsgarantie. Zowel in Italië als in Nederland zal goed nagedacht moeten worden over het spanningsveld tussen autonomie van de scholen enerzijds en landelijke eisen d.m.v. centrale examens anderzijds. Hierbij kan in de nabije toekomst de wijk of de naam van een school wel eens doorslaggevend blijken voor de schoolkeuze van ouders. En de Nederlanders mogen bovendien nog oppassen met hun huidige cultuurrelativisme dat zich o.a. uit in te weinig geschiedenisonderwijs. Nederland doet het nu in internationaal verband nog goed, o.a. met het Pisa-project, maar dit zou de komende jaren wel eens drastisch kunnen veranderen als gevolg van de toenemende concurrentie van scholen en het teren op kwaliteit uit het verleden.
Bij het afscheid geef ik Jaap Dronkers het proefschrift van Henk Moelands cadeau. Hij is zelfs bereid om voor Henk op de foto te gaan met het boek. Daarna begeleidt hij me naar de uitgang en wijst me een mooie weg terug naar het lager gelegen dorp waar de auto staat. Vervolgens wil ik toch iets van Fiesole zien en besluit ik weer terug naar boven te rijden. Daar ga ik op een terrasje zitten om wat te eten en te drinken. Helaas hangt er een dikke smoglaag boven het dal zodat er van een mooi uitzicht op Florence geen sprake is. Jammer, maar bij het VVV heb ik een mooie rondwandeling van drie kwartier te pakken gekregen. Die leidt me via de Basilica van Sant’ Alessandro naar het prachtige kerkje van Sint Franciscus, bovenop de heuvel. Daarna begin ik aan de afdaling en kom ik via een merkwaardig langgerekt kerkhof uit bij archeologische opgravingen. Uiteindelijk bereik ik weer het plein waar de auto staat. Op de weg terug naar San Donato neem ik niet de autoweg maar de Chianti-route die slingert door het Toscaanse landschap. Prachtige uitzichten glijden aan me voorbij. Als ik in het huisje kom, werk ik het gesprek met Dronkers uit en bel even naar huis. Sjef, Jeske en Huub Hacking komen terug van een lange en mooie wandeling. Sjef en Huub zorgen voor het eten en daarna ontspint zich een discussie over zin en onzin van een historische canon. Ook de vaderlandse canon van Jan Bank en Piet de Rooy komt ter sprake. Het ligt er maar aan vanuit welk perspectief je het bekijkt om te bepalen of het een waardevolle bijdrage levert aan de ontwikkeling van historisch besef of niet. Als algemeen discussiestuk en voor de Nederlanders die behoefte hebben aan een historisch overzicht lijkt het me geen probleem. Als basisdocument om er in het onderwijs mee te werken wel. Aangezien Piet de Rooy ook meegewerkt heeft aan een naar hem genoemde commissie is er op zijn minst sprake van enige onduidelijkheid over de status van dit document: wat moet je ermee in het onderwijs?! Het is ook tegenstrijdig aan wat de Commissie De Rooy in haar eindverslag heeft opgenomen, namelijk een globaal overzicht met kenmerkende aspecten. Zelf ben ik van mening dat voor het onderwijs beide documenten niet werken: er zal enige mate van specificering of explicitering, liefst aan de hand van basisinzichten met duidelijke uitwerkingen en verbanden, nodig zijn om er in het onderwijs mee uit de voeten te kunnen. Dit geldt zowel voor schoolboeken als voor toetsing. Voor mensen die niet in het onderwijs werkzaam zijn, is het soms lastig uit te leggen wat er allemaal speelt bij het schoolvak geschiedenis. Dat bleek vanavond eens te meer.

Dinsdag 22 maart

Vandaag gaan we een wandeling maken van de Via Francigena (de weg van de Franken). Dit was een middeleeuws pelgrimspad dat liep van Canterbury in Groot-Brittannië via Frankrijk naar Rome. Als je wilde kon je daarna nog doorlopen naar Jeruzalem. Wij houden het vandaag bij de etappe van Monteriggioni naar Siena, ruim 20 kilometer. In het voormalige vestingplaatsje Monteriggioni drinken we koffie op het dorpsplein. We verlaten het dorp met de prachtige muren en torens opnieuw bewapend met de nodige flessen wijn. Ze gaan er snel doorheen deze dagen. Het is ideaal wandelweer. Als we omkijken, zien we Monteriggioni als een kroon bovenop de heuvel liggen in een verder kaal landschap. We komen langs schilderachtige plekjes als Manderlo, Cerbaia, Castello della Chiocciola en Villa. Vlak voor Siena gaat het zandpad over in asfalt en eindigt de wandeling in een buitenwijk. Een teleurstelling na zo’n prachtige wandeling. Het laatste stukje in de stad pakken we de bus. Op het Piazza del Campo nemen we een ijsje en daarna gaan we het Palazzo Pubblico bezoeken, vooral om de Ambrogio Lorenzetti-fresco’s in de Sala della Pace te bekijken, die van het goede en het slechte stadsbestuur. Op mijn werkkamer op het Cito heb ik kopieën ervan aan de muur hangen. Omdat we vrij laat zijn, loopt er bijna niemand meer rond in de zalen. We hebben alle tijd en rust om naar de afbeeldingen te kijken. In deze ruimte moest de ‘Raad van Negen’ vergaderen en zich bij haar besluiten laten leiden door wat voor Siena het beste zou zijn. Alleen dan zou er sprake zijn van economische voorspoed. Slecht stadsbestuur, zo laat de tegenover liggende wandschildering zien, leidt tot ellende en verderf. Het was de eerste keer dat een frescocyclus gewijd was aan een niet-religieus onderwerp en is daarom uniek te noemen. Het is de derde keer dat ik de schilderingen zie, maar het blijft boeien. Na een korte wandeling richting de Dom, keren we huiswaarts. Jeske heeft lekker gekookt, de wijn smaakt goed en na het lezen gaan we moe maar voldaan naar bed.

Woensdag 23 maart

Terwijl Sjef, Jeske en Huub Hacking weer gaan wandelen, maar nu in Le Crete, ga ik op weg naar Bernardo Draghi, een voormalig docent geschiedenis. Hij is tegenwoordig hoofd van een basisschool in San Piero a Sieve, actief lid van Clio’92 en penningmeester van Euroclio. Vanwege een oud adres kom ik eerst uit in Santa Brigida, waar hij al een tijd niet meer woonachtig is. De plaats San Piero a Sieve is niet erg indrukwekkend. De school ligt aan de hoofdweg en is zo gevonden. Het is leuk Bernardo weer te zien. Ik heb hem twee jaar geleden ontmoet tijdens het jaarcongres van Euroclio in Bologna. Hij vertelde toen het een en ander over het voortgezet middelbaar beroepsonderwijs in Italië. Het schoolgebouw ziet er onderkomen uit. Hij wijst me op scheuren in het gebouw en bruine strepen langs de muur van het regen- en smeltwater. Op sommige plaatsen is het pleisterwerk van de muur gehaald en zijn op het beton sommige gaten en krijttekeningen te zien. Er vindt momenteel onderzoek plaats naar de fundering van het gebouw. We zitten in een aardbevingsgevoelig gebied, dus niet onbelangrijk. De plaatselijke overheid is verantwoordelijk voor het onderhoud van het gebouw, maar je weet nooit van te voren wanneer ze iets komen doen en … of ze wel iets komen doen. Het hoofdgebouw waar 300 leerlingen zitten maakt onderdeel uit van een complex van 5 gebouwen, verspreid over twee dorpen. In totaal telt de school 800 leerlingen. Het betreft een kleuterschool, lagere school en onderbouw van het voortgezet onderwijs, de voormalige scuola media. Bernardo neemt me mee naar een cafeetje voor een kop koffie en zucht eens diep als we het over het Italiaanse onderwijs en de Italiaanse politiek hebben. Er is nu een nieuwe wet aangenomen voor het basisonderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs, maar niemand houdt zich daaraan en gaat gewoon op de oude voet verder. In zekere zin ook wel goed en begrijpelijk, want de nieuwe wet deugt niet volgens hem. De didactische aanpak blijft ongewijzigd en er is weinig controle op wat er in de scholen gebeurt. Ook hij zou een versterkt Italiaans Cito (Invalsi) toejuichen. Zelf is hij direct betrokken bij het instituut dat zich voor alle schoolvakken bezig houdt met didactiek (Indire). Op mijn vraag of hij zijn docenten enthousiast krijgt om gebruik te maken van de veelheid aan materiaal via de website van Indire, trekt hij een beetje verontschuldigend zijn schouders op. Hopelijk raakt iemand een keer enthousiast en worden daarna ook anderen enthousiast. Op dit moment kan hij zijn docenten nergens toe verplichten (ze worden betaald door Rome en hebben een ijzersterke rechtspositie). Bernardo houdt zich bij Indire steeds meer bezig met assessment, iets wat ik niet moet vergeten als ik weer bij het Cito ben. Het nieuwe curriculum voor geschiedenis is weinig vernieuwend en uitdagend. Ik krijg een boekje mee van het ministerie van Onderwijs (februari 2004) met alle curricula voor alle vakken. Geschiedenis is vooral de traditionele, politieke overzichtsgeschiedenis. Er worden geen didactische tips of mogelijkheden gegeven voor de implementatie van het programma. Opnieuw zullen de schoolboeken bepalend zijn voor het onderwijs: de docenten spelen op zeker en volgen de boeken overwegend slaafs. Hij staat een vorm van geschiedenisonderwijs voor waarbij vooral voor basisschoolleerlingen en leerlingen voor het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs veel met beelden en tijdbalken gewerkt wordt en waarbij het mogelijk is om verschillende samenlevingstypen met elkaar te vergelijken. Het gaat daarbij niet om volledigheid, maar om bepaalde aspecten van het dagelijkse leven er uit te lichten die herkenbaar en relevant zijn voor leerlingen. Wat er precies gaat gebeuren met het geschiedenisonderwijs in Italië weet hij niet. Misschien zal er in de toekomst wel sprake zijn van urenreductie, maar iedereen is het erover eens dat alle leerlingen tot 18 jaar in een of andere vorm geschiedenisonderwijs moeten hebben. We nemen na twee uur praten hartelijk afscheid van elkaar met de plechtige belofte elkaar het volgend jaar tijdens de jaarconferentie van Euroclio in Malta weer te zien. In de schoolgang zijn kindertekeningen te zien van een kasteel. Het blijkt het kasteel van Scarperia te zijn, een plaatsje vlakbij. Daar ga ik nog even naar toe. Het 14e-eeuwse Palazzo dei Vicari is helemaal bedekt met verschillende soorten wapenschilden die bevestigd zijn aan de voorgevel. Op de terugweg heb ik dit keer wél een mooi uitzicht over Florence: er is vandaag vanwege een beetje motregen minder last van smog. Als ik naar ons dorpje rijd, kom ik langs een terracottafabriekje. De prijzen zijn er ondanks een korting van 20% toch nog erg hoog. De rest van de middag gebruik ik om het verslag van twee dagen bij te werken. Als Sjef, Jeske en Huub thuis komen, gaan we om de hoek naar restaurant La Toppa. Er zit niemand. We hebben het rijk alleen. Voor we het weten staan er drie verschillende schotels pasta op tafel met lekkere wijn erbij. Vervolgens krijgen we kalfsvlees met spinazie en bonen. De stemming zit er al goed in als de eigenaar met ons in gesprek raakt. Eigenlijk is het Huub Hacking die hem vraagt of hij voor de paasdagen nog een overnachtingadres weet. Dat weet hij wel: bij de buren! Of wij trouwens ook wel weten wie hier wel eens komt eten?! Nou, hare majesteit Trix, la regina Beatrice! Haar buitenhuis is hier vlakbij. Hij pakt een plattegrond en tekent in waar haar huis staat. Als we al behoorlijk aangeschoten zijn, gaan we naar de ‘buren’. Je kunt het er van de buitenkant niet aan af zien, maar achter deze muren bevindt zich Palazzo Malespina, een fantastisch mooi onderkomen. We krijgen een korte rondleiding door de kamers, de een nog mooier dan de ander. Inmiddels krijgt Jeske de slappe lach en probeert Huub met tactisch onderhandelen (de eerste twee paasdagen is er geen plaats meer) er onderuit te komen. Dit paleis is wel even wat anders dan de bezemkamer waar hij nu in slaapt, maar het gaat ook zijn budget aanzienlijk te boven. In een jolige stemming gaan we weer terug naar ons huisje. Het is wederom een gezellige dag geweest.

zaterdag, maart 19, 2005


Aan de afwas (Bologna, 18-3-2005). Posted by Hello


Het laatste avondmaal (Bologna, 18-3-2005) Posted by Hello


Dario en Laura, 'studerend' (Bologna, 18-3-2005) Posted by Hello


Don Umberto en Francesco Guccini (Bologna, 18-3-2005) Posted by Hello


Giovanni Giubilato en Francesco Guccini (Bologna, 18-3-2005) Posted by Hello


Francesco Guccini signeert de boeken bij hem thuis (Bologna, 18-3-2005) Posted by Hello


Samen met de kapper Andrea, wachtend op Francesco Guccini (Bologna, 18-3-2005) Posted by Hello


Het graf van Benedito Mussolini in Prédappio (18-32005). Posted by Hello


Paolo Bernardi en Huub in Bologna (18-3-2005) Posted by Hello

dinsdag 15 tot en met vrijdag 18 maart

Dinsdag 15 maart 2005

De zon schijnt om 8 uur mijn kamertje in; tijd om op te staan. Giovanni heeft al koffie gezet en lekkere gevulde croissants gehaald. We nemen de auto naar Cesena. Het stadscentrum stelt niet veel voor, maar we zijn op zoek naar de Biblioteca Malestiana. Wouter Roelands van de gelijknamige boekhandel in Nijmegen (voorheen de Oude Mol) adviseerde mij eens hier naar toe te gaan en hij had volkomen gelijk. De bibliotheek is gebouwd tussen 1447 en 1452. De bibliotheek is genoemd naar de opdrachtgever Malatesta Novello, de laatste stadsheer van Cesena en het werk is uitgevoerd door Matteo Nuti. De Franciscaner monniken wilden graag een bibliotheek en daar heeft Malatesta voor gezorgd, waarmee het een van de oudste openbare leeszalen ter wereld is geworden. Als de twee prachtig bewerkte houten deuren met twee grote sleutels opengemaakt worden, wordt de oude leeszaal voor ons ontsloten. Het is echt een juweeltje. Links en rechts van het middenpad staan rijen met 29 banken achter elkaar opgesteld waarin per vakgebied, zoals filosofie, theologie of rechten, oude vakboeken met kettingen aan de banken zijn vastgemaakt. In de ruimte tegenover de leeszaal, het vroegere scriptorium, bevindt zich de Biblioteca Piana. Dat was de privé-bibliotheek van de uit Cesena afkomstige paus Pius VII Chiaramonti. De ruimte wordt nu gebruikt voor een permanente tentoonstelling met prachtige bijbels en met miniatuurafbeeldingen bewerkte Gregoriaanse gezangboeken. Tot mijn verbazing zie ik dat er vele boeken gemaakt zijn door een zekere Enrico di Amsterdam, mij volkomen onbekend. Het geheel was een bezoek aan de stad meer dan waard. Nog even een mooi verhaal over de naam Malatesta. Die naam behoorde in de 13e eeuw tot een belangrijke familie uit Rimini. Een van de Malatesta’s komt voor in de tweede cirkel (de onkuisheid) van Dante’s Hel. Er gaat een ontroerend verhaal achter schuil. Francesca da Polenta en Paolo Maletesta lezen samen het verhaal over Lancelot, de ridder die Guinevere, de vrouw van koning Arthur, beminde. Tijdens het lezen worden ze ‘overweldigd door hun gevoelens’. Nou komt dat wel vaker voor, ware het niet dat Francesca al getrouwd was met … de broer van Paolo, Giovanni. En dat betekende letterlijk het einde van beide. Een van de mooiste passages die ik ken uit de Divina Commedia.
We besluiten door te rijden naar Ravenna en daar een hapje te eten niet ver van de graftombe van Dante verwijderd. Een vriendin van Giovanni die uit Ravenna komt had ons het adres aangeraden en ook dit blijkt een voltreffer te zijn. Het ‘Ca’de’ Vén’ aan de Via Corrado Ricci 24 blijkt sinds 1975 zijn deuren geopend te hebben in een gebouw daterend uit 1542 en gebouwd door kapitein Cesare Rasponi di Savarna. Het is een grote ruimte met een lees-, eet- en drinkgedeelte. Daar eten we een plaatselijk brood en drinken een glas wijn. Na de lunch beginnen we onze toer door Ravenna met San Vitale, een achthoekig kerkgebouw uit 548 met geweldig dikke zuilen waarop de koepel rust. Ik ben hier twee jaar geleden al een keer geweest tijdens de jaarlijkse conferentie van Euroclio in Bologna, maar het blijft grote indruk op mij maken, vooral de mozaïeken. Die zijn ook terug te vinden in het nabij gelegen gebouwtje dat als mausoleum gediend zou hebben voor Galla Placida, dochter van keizer Theodosius I, die tot 395 het Romeinse Rijk bestuurde. Vooral als de deuren dicht gedaan worden komen de mozaïeken helemaal tot hun recht. Bekend zijn de twee duiven die op de rand van een waterschaal zitten. Het is vooral de intimiteit van dit gebouwtje dat me bekoort. Hierna gaan we naar de graftombe van Dante Alighieri, als bestuurslid van Dante Nijmegen natuurlijk een must om naar toe te gaan. De daarachter gelegen San Francescokerk uit de 10e/11e eeuw is vooral een bezoek waard vanwege de lager gelegen crypte. Vanwege de moerassige bodem waarop de kerk, en eigenlijk heel Ravenna, is gebouwd, staat de crypte onder water. Er zwemmen goudvissen in en op de mozaïekvloer liggen duizenden muntstukjes. Even verderop staat de San Apollinare Nuovo, een kerk uit de 6e eeuw die oorspronkelijk als een Ariaanse basiliek is gebouwd. Opvallend zijn de aan weerskanten aangebrachte mozaïekfiguren boven de zuilengalerij. Ik kan het toch niet nalaten te grinniken als ik zie dat de rij martelaren letterlijk tegenover een rij maagden is opgesteld. Zou dat het begin van het paradijs kunnen zijn?! Ook de weergave van de Drie Koningen is bijzonder vanwege de rare mutsjes die ze op hebben. In niets lijkt het op onze voorstelling tegenwoordig daarvan. Als laatste bezoeken we het Mausoleum van Theodorik. Het is een plomp gebouwtje met bovenin een grote, rode marmeren sarcofaag zonder deksel. De vogel is gevlogen. We nemen de auto om buiten de stad nog een bezoek te brengen aan San Apollinare in Classe. Deze vroeg-christelijke basiliek uit 549 is gebouwd naar een voorbeeld van een Romeinse basilica. Ook hier vormt de mozaïekversiering van het gewelf boven de apsis het hoogtepunt. De twaalf schapen (= de apostelen) trekken onmiddellijk de aandacht omdat ze eerder op slecht getekende paarden lijken, maar het geheel maakt ook hier een overrompelende indruk. Daarmee besluiten we een bezoek aan een stad dat een verplicht onderdeel uitmaakt van iedere ‘Grand Tour’ door Italië. De avond gebruik ik om samen met de studenten te eten, foto’s op de website te zetten en het dagverslag te maken. Morgen staat Ferrara op het programma.

Woensdag 16 maart

Vandaag ga ik alleen op stap. Ik besluit de rustige binnenweg naar Ferrara te nemen en geniet van de CD die Giovanni mij meegegeven heeft: de bootleg-nummers van Bob Dylan. Toch grappig dat alle de drie studenten gek zijn op zijn nummers. Zo herleeft een generatie later mijn studententijd weer; de tijd lijkt even stil te staan. Ferrara is dé stad in Italië als het om fietsen gaat. De binnenstad is afgesloten voor gemotoriseerd verkeer en je mag wel goed uitkijken dat je niet ondersteboven gereden wordt. Ik begin mijn bezoek bij het Castello Estense, het kasteel van de familie d’Este. Je ziet het al van verre liggen: een kasteel met vier grote torens. Na enige uitleg over de familiegeschiedenis gelezen te hebben (hier heeft o.a. Lucrezia Borgia, de onwettige dochter van paus Alexander VI en echtgenote van Alfonso d’Este, na 1502 gewoond), daal ik af naar de kerkers. Dat valt niet mee: eerst stoot ik mijn hoofd en daarna mijn rug. Aan deze kerkers is wederom een romantisch drama verbonden. Een van de Este-leiders was getrouwd en had enkele kinderen. Toen zijn vrouw overleed hertrouwde hij met een vrouw die net zo oud was als zijn oudste zoon: 20 jaar. En, jawel hoor, het kan niet missen, deze twee kregen een relatie die uiteindelijk eindigde via de kerkers op het schavot. Na dit dieptepunt zoek ik het maar wat hogerop: de beklimming van één van de vier torens, deTorre dei Leoni (de Leeuwentoren). Van bovenaf kun je goed het historische centrum zien, maar ook de industriële omgeving van Ferrara. Dicht bij de uitgang van het kasteel rust ik even een half uurtje uit en kijk naar hoogtepunten uit (voornamelijk) Italiaanse films die Ferrara als decor hebben. Uiteraard zit er ook een fragment in van De Sica’s Il Gardino dei Finzi-Contini, een verfilming van het boek van Giorgio Bassani’s boek ‘De tuin van de Finzi-Contini’s’. Dat is de schakel voor mijn volgende zoektocht, het graf van Bassani op het plaatselijke joodse kerkhof. Ik stippel een route uit die me voert naar Piazza Ariosto, een plein, het lijkt wel een oude renbaan, met in het midden een zuil en daar hoog bovenop een beeld van de dichter Ludovico Ariosto. Vlakbij ligt het joodse kerkhof, aan het eind van een doodlopende straat. De grote stalen deuren lijken gesloten, maar als ik er een duwtje tegenaan geef gaat hij open. Ik heb nog nooit zo’n merkwaardig kerkhof gezien. Het blijkt uit vier grote, met muren van elkaar afgescheiden, vrijwel verwilderde grasvlaktes te zijn opgebouwd. Net als ik met mijn zoektocht naar het graf van Bassani wil beginnen, komt er een vrouw naar me toe lopen. Zij vraagt hoe ik binnengekomen ben. Door de deur antwoord ik een beetje naïef. Ze kijkt me aan en ik zie dat ze een inschatting maakt. Uiteindelijk geeft ze me toestemming door te lopen maar niet nadat ik van haar een Kipa (een keppeltje) op mijn hoofd gespeld krijg. In de inmiddels al behoorlijk felle zon steek ik puffend grasveld na grasveld over en bekijk de verschillende bij elkaar gegroepeerde graven, maar dat van Bassani is nergens te vinden. Uiteindelijk wijst een tuinman mij de weg. Tussen diverse graven van de families Finzi’s en Contini’s vind ik in deze ‘tuin’, het kan bijna geen toeval meer zijn, het graf van Bassani. Het ligt apart van de andere graven en is te herkennen aan een liggend vierkant zwart marmeren blok met een rechtop staande koperen plaat met inscripties. Op het graf liggen naar joods gebruik losse steentjes. Hier ligt de schrijver die zo mooi het vooroorlogse joodse leven in Ferrara beschreven heeft en wiens boek een onuitwisbare indruk op mij gemaakt heeft. De tocht wordt voortgezet met een bezoek aan het huis waar Ludovico Ariosto zijn fameuze ‘Orlando Furioso’ (1526-1532) heeft geschreven. Op de terugweg naar het centrum kom ik voorbij het Palazzo dei Diamanti, te herkennen aan de puntige, piramideachtige façade, zo vaak het decor geweest van menige film. De tentoonstelling van Joshua Reynolds in het museum laat ik vanwege tijdgebrek schieten. Via een paar steegjes kom ik uit bij een nis met het borstbeeld van Torquato Tasso. In zijn goede tijd vermaakte hij het hof met zijn ‘Gerusalemme Liberata’, maar later zat hij in hetzelfde hof gevangen vanwege een verboden liefde met Leonora, de zus van hertog Alfonso. Het is bijna niet meer bij te houden met al die affaires. Een bezoek aan de kathedraal valt me tegen. Van buiten wel mooi, met name het prachtige voorportaal, van binnen valt het tegen. Het wordt tijd om weer terug te gaan naar Bologna. Via de synagoge aan de Via Mazzini en de steegjes van het vroegere joodse getto kom ik weer uit in de straat waar mijn auto geparkeerd staat. Op de terugweg sta ik bijna twee uur in de file bij Bologna, maar gelukkig troost Bob Dylan mij en blijkt bij thuiskomst Giovanni het eten al klaar te hebben. Hij heeft weer lekker en goed gekookt, Manlio en Brigitte hoeven zich geen zorgen te maken. Na het eten vindt er nog een geanimeerd gesprek plaats met Dario, Marco, Laura en Giovanni over de Italiaanse politiek en geschiedenis en opnieuw komt de fles whisky van Tom goed van pas. Het was weer een heerlijk sabbatsdagje.

Donderdag 17 maart

De dag van gisteren heeft er goed ingehakt. Pas na 9 uur word ik wakker. Behalve Giovanni is er nog niemand wakker, dus ik hoef me niet te schamen. Na het ontbijt ga ik naar de kapper in de Via Paolo Fabbri, de straat waar Giovanni woont. Hij heeft me deze kapper aangeraden en kent mijn voorkeur: oude, tandeloze mannetjes in ouderwetse ambachtelijke kapperszaakjes. En ja hoor, het is weer een klassiek geval. Hij weigert tondeuses of andere elektrische apparaten te gebruiken; alles alleen met schaar en scheermesjes. We raken aan de praat en hij vertelt dat hij de buurman is van een beroemd Italiaanse zanger: Francesco Guccini (dat wist ik overigens al van Giovanni, maar ik wilde het hem zelf laten zeggen). Er hangt een foto bij de spiegel waarop te zien is hoe hij Guccini knipt. Het wordt steeds gezelliger en als ik weg ga zegt Andrea, zo heet de kapper uit Palermo, dat ik vanmiddag maar even terug moet komen, dan stelt hij Guccini aan mij voor. Hij is op tournee en toevallig treedt hij hier in de buurt op, maar je mag hem niet vóór 3 uur ’s middags storen, want dan slaapt hij uit na een optreden. Giovanni valt bijna om van verbazing als ik hem vertel wat ik afgesproken heb. Daarna loop ik onder de arcaden van de Via Zamboni (waar veel oude universiteitsgebouwen staan) naar het centrum van Bologna. In een boekwinkel koop ik enkele boeken van Guccini. Behalve zanger schijnt hij ook een goed schrijver te zijn. Misschien iets om volgend jaar te vertalen tijdens de Italiaanse les?! Dan sta ik onder de twee grote torens die zo kenmerkend zijn voor Bologna: de torre pendenti, de scheven torens van Bologna. De laagste en scheefste toren heet de Torre Garisenda en is 48 meter hoog. Op die toren is een plaquette aangebracht met een citaat uit Dante’s Hel waarin hij deze toren vereeuwigt. De andere toren, de Torre degli Asinelli (uit 1159), is bijna 98 meter hoog. Na 498 treden kom ik bekaf boven aan. Sono stanco morto, maar het is het uitzicht meer dan waard. Tussen de middag eet ik een hapje en kom weer bij. Tijd om naar de Piazza Maggiore te gaan, het hart van het historische centrum. Giovanni vertelde me gisteren dat gezegd wordt dat je als student dat plein niet diagonaal mag oversteken, want dan haal je geen einddiploma. Aangezien ik dat al gehaald heb, loop ik als een van de weinigen er dwars overheen. Rare Italianen; als ze niet meer geloven in de katholieke kerk worden ze wel bijgelovig. Aan het plein staan allemaal gebouwen uit de 13 eeuw: de stadskerk San Petronio, het Palazzo del Podestà, het Palazzo Comunale (stadhuis) en het Palazzo dei Banchi , waar vroeger de kooplieden en banken zaten. De kerk ga ik niet meer in omdat ik daar twee jaar geleden al geweest ben. Even verderop staat ook nog het Palazzo di Re Enzo, genoemd naar de zoon van keizer Frederik II (mijn grote vriend) die tijdens de slag bij Fossalta in 1249 door de pausgezinde troepen gevangen genomen werd en in dit gebouw tot zijn dood 23 jaar later in de kerkers verbleef. Vanuit dit plein ga ik gewapend met een plattegrond van het VVV in cirkels om de ‘twin towers’ lopen. Langzaam maar zeker krijg ik greep op het stadscentrum en kan ik ook de bijnamen van de stad plaatsen: la Dotta (de geleerde) vanwege de oudste universiteitstad ter wereld (vanaf 1088), la Rossa (de rooie) vanwege het al jaren durende communistische stadsbestuur en la Grassa (de dikke) vanwege de goede keuken en het goede eten dat hier overal in overvloed te krijgen is. Een van de mooiste pleinen vind ik zelf het Piazzola di Santo Stefano, genoemd naar de fameuze maker van de Havo/VWO-geschiedenisexamens bij het Cito … . Geen gemotoriseerd verkeer en veel studenten die buiten op de grond in het zonnetje zitten. De Santo Stefano is trouwens een bezoek meer dan waard. Als je naar binnen gaat heb je geen idee in wat voor een complex je terecht komt. Het blijken meerdere kerken ineen te zijn: je komt binnen in de de Chiesa del Crocifisso, daarna loop je door naar de Chiesa del San Sepolcro of Calvario, vervolgens in de Chiesa dei Santi Vitale e Agricola en ten slotte via een portaal in de Chiesa della Trinità (allemaal gebouwd tussen de 11e en 14e eeuw). Er is hier in de buurt trouwens nog een kerk die vernoemd is naar een Citomedewerker: San Giovanni in Monte (uit 1045). Helaas blijkt bij terugkomst Francesco Guccini niet thuis te zijn en ook niet twee uur later. De kapper zegt dat we het morgen nog maar een keer moeten proberen. Tegen het eind van de middag ga ik met Giovanni naar Ivo Mattozzi in het prachtige universiteitsgebouw naast de San Giovanni in Monte. Hij kijkt een beetje verrast op want hij had mij afgelopen dinsdag verwacht. Misverstand dus. We wisselen wat boeken uit, praten een beetje en dan gaan we een slokje drinken in een naburig cafeetje. Giovanni moet hem beloven dat hij nog een keer contact met hem opneemt. We eindigen de avond met zijn tweetjes in een osteria waar ik Giovanni trakteer op een heerlijke maaltijd en waar we vervolgens een serieus gesprek heben. Giovanni is erg open, spraakzaam en serieus, wat ik erg waardeer. Het lijkt wel alsof er geen generatie tussen ons zit. Toch raar dat het bij kinderen van anderen eerder zo werkt dan bij je eigen kinderen, maar van de andere kant ook wel weer logisch. Hij voelt heel goed aan dat er twee kanten in hem zitten, een Italiaanse en een Nederlandse. De Italiaanse kant overheerst momenteel, maar hij wil graag de Nederlandse kant meer ontwikkelen. Deze zomer hoopt hij in Nederland daaraan te kunnen werken. Morgen belooft een bijzondere dag te worden. Ontmoetingen met eerst Bernardi, dan Mussolini en ten slotte Guccini. Eens kijken wat daar allemaal van terecht komt.

Vrijdag 18 maart

Aan de Via Castiglione 25 worden Giovanni en ik deze ochtend verwelkomd door Paolo Bernardi, medewerker van LANDIS (Laboratorio Nazionale per la Didattica della Storia; http://www.landis-online.it/), onderdeel van de landelijke organisatie ISMLI. Dit instituut is oorspronkelijk begin jaren zeventig opgericht als een instituut dat zich bezig hield met het verzetsverleden maar dat zich geleidelijk aan ontwikkeld heeft tot een instituut voor contemporaine geschiedenis, zowel nationaal als internationaal. Het instituut wordt gedeeltelijk betaald met overheidsgeld en gedeeltelijk door privé-instellingen. Naast het werk aan dit instituut geeft Bernardi zelf ook nog les aan een Istituto Professionale, dus hij weet waar hij het over heeft. Hij schetst de verwarrende situatie van dit moment in Italië: aan de ene kant wat het ministerie van Onderwijs formeel voorschrijft en aan de andere kant wat de feitelijke situatie momenteel op de scholen is (en dat is heel iets anders). Niet om vrolijk van te worden dus. De leerlingen hebben weliswaar allemaal tot hun 18e jaar verplicht geschiedenis, maar ze vinden het vak niet leuk. De inhoud van het vak bestaat uit een opsomming van feitelijke gebeurtenissen, droog beschreven in de lesboeken en net zo droog door leraren gebracht. Dat is ook niet zo vreemd omdat 1) de didactiek van geschiedenis nog te weinig serieus genomen wordt en te weinig ontwikkeld is 2) de docenten over het algemeen de schoolboeken (te) letterlijk volgen 3) geschiedenis te weinig als een apart vak gezien wordt, maar als onderdeel van Italiaans, kunstgeschiedenis en filosofie. Gevolg: motivatieproblemen bij zowel de leerlingen als de docenten. Als je in de luxe positie zit dat het vak voor iedereen tot 18 jaar verplicht is, komt dit toch wel een beetje als een anticlimax over. Het lijkt wel de omgekeerde situatie met Nederland! Op mijn vraag hoe het komt dat het vak deze positie verworven heeft in het Italiaanse onderwijs, geeft Bernardi de volgende twee redenen: 1) Na de fascistische periode wilde men graag een nieuw, meer idealistisch opgebouwd schoolsysteem. Het heeft even geduurd (tot 1960) voordat het nieuwe onderwijssysteem werd ingevoerd en tot die tijd gebruikte men de oude schoolboeken uit de fascistische tijd! Aan de (idealistische) basis van de vernieuwing lag geschiedenis, maar niet als een apart vak. Ieder vak moest gerelateerd worden aan het verleden, alles kreeg een historische context, maar het vak geschiedenis als apart schoolvak werd nauwelijks didactisch ontwikkeld! 2) Geschiedenis werd tot voor kort vooral gevuld met nationalistische geschiedenis en droeg bij aan een zeker nationalistisch sentiment (we kennen de roep hierom in Nederland recentelijk ook!). Dat laatste is nu wat aan het veranderen doordat er wat meer aandacht en interesse voor de internationale geschiedenis gekomen is. Ook de toetsing op scholen en de toetsing van Invalsi is nog sterk cognitief gericht. Daar komt bij dat bij het vak geschiedenis vooral de kennis en de toepassing van de Italiaanse taal getoetst wordt (tekstbegrip), iets wat vooral voor allochtone leerlingen een struikelblok blijkt te zijn. Het nieuwe onderwijssysteem van deze regering leidt er volgens hem toe dat er een tweedeling in de maatschappij ontstaat tussen het ‘verstand’ en de ‘handen’ waarbij de verstandige allochtone leerling geen mogelijkheid meer heeft om tussentijds over te stappen naar een hoger onderwijsniveau. In het primair onderwijs is de situatie beter. Daar is het uitgangspunt dat de leerlingen nog kinderen zijn waarbij je wel móet aansluiten bij hun belevingswereld. Dat betekent dat er meer ruimte is voor bijvoorbeeld omgevingsgeschiedenis, familiegeschiedenis en het maken van praktische opdrachten rondom een bepaalde probleemstelling. Bernardi pleit voor een evenwichtige benadering in het voortgezet onderwijs: enerzijds aandacht voor de canon/overzichtsgeschiedenis (maar dan nog slechts één keer in plaats van drie keer in de hele schooltijd!) en anderzijds een meer thematische en probleemgerichte benadering waar een groot beroep op vaardigheden en competenties gedaan wordt. Voor deze benadering komt geleidelijk aan meer steun, o.a. in de vorm van de didactische tegenhanger van Invalsi, Indire (http://www.puntoedu.indire.it/) genoemd (een soort SLO?!). Als ik zou willen kan ik in Florence, waar het instituut staat, contact opnemen met Alessandra Anichini. Ik voel me net een spin in het Italiaanse geschiedenisweb geworden … .
Na het gesprek lopen we terug naar huis. Ik neem de auto en ga op weg naar Prédappio, de plaats waar Benito Mussolini geboren en begraven is. Na anderhalf uur rijden kom ik in het dorp aan. De plaats kent één lange hoofdstraat, leidend naar een groot plein voor een kerk. Ik parkeer de auto op een ander plein, aan het begin van het dorp, en loop tussen twee met fascistische motieven beklede zuilengalerijen door naar boven waar op een heuveltje het geboortehuis van Mussolini staat. Er valt hier verder niet veel te zien. Ik loop terug naar de hoofdstraat om die verder af te lopen richting de kerk. Voor een winkel met wapperende Italiaanse vlaggen sta ik stil. Hier kun je allemaal boeken, T-shirts, beeldjes en andere prullaria van Mussolini kopen. Zelfs Mein Kampf van Hitler is hier zonder problemen verkrijgbaar. Ik krijg er wel een beetje de rillingen van over mijn rug. Het kerkhof waar Mussolini begraven ligt, bevindt zich ongeveer twee kilometer buiten het dorp. Op weg er naar toe fotografeer ik links en rechts diverse gebouwen waarvan de stijl overduidelijk de fascistische architectuur verraadt. Het kerkhof ligt er verlaten bij. De poorten zijn geopend en ik loop rechtdoor naar het kapelletje aan het eind van het hoofdpad. Rechts naast de kapel is een ingang naar de crypte onder de kapel waar Mussolini zou moeten liggen. Als ik naar beneden ga moeten mijn ogen een beetje wennen aan het duister en denk ik in eerste instantie twee wassen beelden te zien bij kaarslicht. Het blijken echter twee mannen te zijn die strak voor zich uit kijken en gehuld zijn in tot op de grond vallende zwarte capes. Ze houden de wacht voor het graf van Mussolini. Ik schrik me een hoedje, te meer omdat één van de twee sprekend op Mussolini lijkt: kaal hoofd, kin een beetje omhoog, strakke blik! Er is ook nog een derde persoon aanwezig. Hij heeft een zwart uniform aan met een zwarte koppelriem diagonaal over zijn lichaam gespannen, een zwarte pet op en … een donkere zonnebril in deze crypte. De wachters mogen geen woord spreken, maar hij wel. Het is toegestaan om foto’s te maken, maar zonder dat één van de aanwezige personen er op komt te staan. Half in een shock en een beetje geïntimideerd maak ik twee foto’s, één van de sarcofaag van Mussolini zelf en één van de andere aanwezige sarcofagen in de crypte; die van zijn ouders, vrouw en kinderen. Lang houd ik het niet uit in dit genootschap van engerds en het zal nog ruim een half uur duren voordat ik over de schok heen ben. Als ik het dorp uit rijdt, zie ik nóg twee grote winkels met Mussolini-prullaria en fascistische lectuur. Ik heb voldoende foto’s gemaakt van het een en ander om er thuis nog eens rustig naar te kijken en te analyseren. Maar goed dat er niet ook een dergelijke plaats voor Hitler ergens in de wereld is. Mijn inschatting is dat het lijkt alsof er een soort wederopleving van fascistische adoraties in dit land. Het afgelopen jaar zag ik bij een tankstation nabij Trento ook al een hele vitrine vol staan met deze rommel. Zou de huidige regering deze fascistische groeperingen minder in de weg leggen dan vorige regeringen?! Het lijkt er wel verdacht veel op.
Bij thuiskomst in Bologna ga ik direct samen met Giovanni door naar de zanger en schrijver Francesco Guccini. Het is nu of nooit als we hem willen ontmoeten. De kapper belt voor ons aan en … hij doet zelf open! Hij verontschuldigt zich omdat er op dat moment een interview plaats vindt. We moeten even geduld hebben, maar daarna zal hij ons te woord staan. Ondertussen zitten we met de kapper op de stoep voor zijn zaak in het zonnetje (25 graden!) een gesprek te voeren over van alles en nog wat, maar bovenal over zijn beroemde buurman en over de plaats waar de kapper zelf (‘Andrea’) oorspronkelijk vandaan komt: Palermo. Ik maak wat foto’s en beloof hem wat op te sturen. Dan gaat de deur open aan de Via Paolo Fabbri nummer 43 en nodigt de zanger/schrijver/dichter ons uit naar binnen te komen. We lopen door een grote hal vol muziekinstrumenten en een grote woonkamer met een vleugel naar de open keuken waar hij ons uitnodigt plaats te nemen aan een grote houten keukentafel. De tafel ligt half vol boeken en papieren in grote stapels opgestapeld. Achter hem is een grote oude keukenschouw te zien. Buiten heeft hij een klein tuintje. Als ik het goed begrepen heb van de kapper is hij niet getrouwd. Hij is vaak onderweg op tournee en we treffen het dat hij thuis is. Er zouden heel wat Italianen jaloers op ons zijn als ze zouden weten dat wij bij hem aan de keukentafel zaten. Francesco Guccini is geboren in 1940 in het plaatsje Pàvana (comune di Sambica Pistoiese), heeft daar de oorlogsjaren doorgebracht en is via Módena uiteindelijk in Bologna terecht gekomen. Hij is vooral bekend geworden als zanger, maar de laatste 20 jaar schrijft hij ook veel boeken. Recentelijk schrijft hij detectives samen met Loriano Macchiavelli. Gisteren heb ik drie boeken van hem gekocht waarvan ik er één aan Giovanni wil geven. Hij signeert ze met alle plezier, maar niet alleen dat, zowel Giovanni als ik krijgen zijn net herdrukte boek ‘cittanòva blues’ cadeau. We praten wat over zijn jeugd, de Italiaanse geschiedenis, het verschil tussen boeken schrijven en songteksten, mijn rare voorliefde voor oude, tandeloze kappertjes (die hij overigens deelt!), zijn bezoek aan Amsterdam in 1968 om de provobeweging beter te leren kennen, zijn bezoek aan een festival in Conegliano 20 jaar geleden (mede door Marcellino, de broer van Manlio, georganiseerd) om er samen met o.a. Alain Ginsbourg op te treden, en nog zo wat thema’s. Na een klein half uur is het gesprek afgelopen. We maken nog wat foto’s samen met hem bij zijn voordeur en daarna lopen we met een stapel boeken onder onze armen terug naar huis. Terwijl ik mijn dagverslag schrijf, maken Giovanni en Laura het ‘laatste avondmaal’. Ik deel wat cadeaus uit, inclusief twee flessen wijn die dezelfde avond al opgedronken worden met zijn allen, en we praten de hele avond gezellig aan de keukentafel over van alles en nog wat. We hebben allemaal een gezellige week gehad en het is jammer dat het er weer op zit. Morgen verkas ik naar Toscane waar ik voor twee weken een huisje gehuurd heb van Jan en Jet van Herwaarden in San Donato in Poggio (tussen Siena en Florence). Morgenavond komen Huub Hacking, Jeske Nelissen en Sjef van de Wiel mij gezelschap houden voor een weekje. Wanneer de volgende bijdrage gepubliceerd wordt weet ik nog niet, maar het zal ergens vanuit een internetcafé moeten gebeuren. Voor deze week zit het er op, het is enerverend genoeg geweest. Buone notte!

dinsdag, maart 15, 2005


Huub en Giovanni voor de San Apollinaire in Classe Posted by Hello


Dante en Huub (Ravenna, 15-3-2005) Posted by Hello


Ivo Mattozzi, Huub Kurstjens en Vincenzo Guanci Posted by Hello


Manlio en Brigit Posted by Hello


Giuseppe Bertagna Posted by Hello

maandag, maart 14, 2005

vrijdag 11 tot en met maandag 14 maart

Vrijdag 11 maart 2005

Vandaag heb ik rustig aan gedaan na de drukte van de afgelopen dagen. De ochtend heb ik doorgebracht met het verwerken van de aantekeningen van het logboek. Verder heb ik met Brigitte koffie gedronken en het Nederlandse en Italiaanse onderwijssysteem met elkaar vergeleken. Beide systemen hebben zo hun voor- en nadelen. Het komt er vooral op neer dat het Nederlandse onderwijssysteem moderner en flexibeler is, meer met vaardigheden en competenties werkt en ook meer aansluit bij toekomstige Europese ontwikkelingen. Het Italiaanse onderwijssysteem is meer op de vakinhoud gericht en kent vooral aan de cultuur- en mens- en maatschappijvakken een groot gewicht toe. Bovendien is hier meer een traditie van mondelinge overhoringen en examineringen. Na de pasta bezoeken we in Conegliano de school ‘Marco Fanno’, een echte Scuola Professionale per il Commercio, waar ze voor de administratieve sector opleiden. Daar ontmoeten we Annamaria Schiavetto, een lerares geschiedenis. Manlio kent haar nog van vroeger. Het schoolgebouw doet futuristisch aan, maar blijkt bij nader inzien een aan betonrot leidend wangedrocht te zijn. De naargeestigheid straalt er van af en dat beeld blijft me de rest van de middag bij. Annamaria vertelt dat ze ruim tien jaar geleden bewust voor deze school had gekozen omdat ze enthousiast was geraakt over het experimentele geschiedenisproject ‘1988’, dat officieel voor dit schooltype landelijk in 1992 werd ingevoerd. Het programma werkte toen goed, nu niet meer. De lessen Italiaans (4 uur in de week) en geschiedenis (2 uur) worden vanwege de onderlinge verwantschap (!!) door één en dezelfde docent gegeven. Ze praat in rap Italiaans de frustraties van zich af. De school fuseerde, de leerlingen veranderden, zij krijgt van niemand op school ondersteuning, kortom: op dit moment deugt er niets. En dat straalt ze ook uit. Mamma mia wat een pessimisme, terwijl ze vroeger zo enthousiast schijnt te zijn geweest. Voor mij in ieder goed om de andere kant van de medaille te zien. Deze jongeren hebben geen interesse meer in geschiedenis, zegt ze. Eigenlijk zijn ze in niets geïnteresseerd wat met school te maken heeft. In tien jaar tijd heeft ze meegemaakt dat de leesvaardigheid sterk is afgenomen, er een enorm motivatieprobleem is ontstaan en dat leerlingen gewoon geen zin hebben om te werken (uitgezonderd allochtone leerlingen, in het bijzonder Aziatische leerlingen, die willen nog wel). De lethargie slaat nu ook over op de leerkrachten. De tijdgeest is natuurlijk ook aan het veranderen en deze jongeren willen vooral ‘vrijheid, geld en kunnen doen en laten wat ze willen’ (‘Vogliamo tutto e lo vogliamo ora!’, of: ‘tutto e subito’). Er is geen land in Europa waar per hoofd van de bevolking zoveel TV gekeken wordt en waar zoveel mobiele telefoons gebruikt worden als in Italië en ik krijg het gevoel dat alles op deze school samen komt. Tegelijkertijd speelt de fusie en de zogenaamde autonomie die aan de scholen gegeven is deze school parten. Autonomie voor een school in Italië houdt alleen pedagogische autonomie in. De landelijke overheid betaalt de salarissen, de provinciale overheid zorgt voor het gebouw. De school zelf heeft vrijwel geen financiële ruimte om eigen beleid te maken. Het is ook om mismoedig van te worden. Als ik Annamaria was zou ik zo snel mogelijk een rijke vent uit Noord-West Europa trouwen of anders heel snel iets anders gaan zoeken. We besluiten met zijn drieën maar een glaasje water in een café te gaan drinken. Na alle mooie verhalen van de laatste dagen was dit een ontnuchterende, maar ook een reële en in zekere zin een verfrissende ervaring. Leerlingen lijken net mensen en die heb je overal over de wereld. Ook in Nederland. Op de terugweg rijden we even bij Brigitte langs. Zij doet vrijwilligerswerk in de Derde Wereldwinkel van Conegliano. Waar ze de energie en de puf vandaan haalt weet ik niet, maar ik neem mijn petje voor haar af: proberen overeind te blijven als Nederlandse in Italië met een fulltime baan als lerares Duits, een huishouden, twee keer per dag koken, een man, kind en hond om voor te zorgen (die Nederlandse gast nog niet eens meegerekend) en dan dit vrijwilligerswerk er nog bij doen. Bovendien voelt ze zich al een week ziek en gaat uit plichtsbesef toch door met werken. Eergisteren zat ze tot diep in de nacht chocolaatjes in te pakken voor de Derde Wereldwinkel. Ik wilde er 100 bestellen ter ondersteuning van het goede doel, maar wilde haar door dit onverwachte overwerk niet in een diepe crisis storten. Bij thuiskomst bleek Ivo Mattozzi, voorzitter van de Italiaanse vereniging van geschiedenisdocenten, een boodschap te hebben ingesproken. Morgen zien we hem, samen met Vincenzo Guanci uit Rome, in een café in Venetië. Ik ben blij dat Manlio mee gaat, want tegen één Italiaan aanpraten die geen Engels spreekt is al moeilijk, laat staan twee.

Zaterdag 12 maart

De ochtend gebruik ik om rustig te ontbijten, Elly en mijn moeder te bellen, de hond uit te laten en wat briefkaarten te schrijven. Verder lees ik in de boekjes en tijdschriften die ik van Giuseppe Bertagna heb gekregen. Ik wil Ivo Mattozzi en Vincenzo Guanci, geschieddidactici aan de universiteit van Bologna en voorzitter respectievelijk lid van de Italiaanse vereniging van geschiedenisdocenten Clio ‘92, vanmiddag met enkele uitspraken van hem confronteren. Vooral de uitspraak van Bertagna dat er sprake is van een scheefgroei in Italië: te veel jongeren willen studeren, doen er te lang over, halen geen diploma’s, vinden geen aansluiting op de arbeidsmarkt, terwijl er een tekort is aan goed opgeleide arbeidskrachten. Manlio en ik vertrekken na de pasta naar Venetië. Na aankomst drinken we eerst in een typisch oud koffiehuisje aan de Rio terrà lista di Spagna een espresso. Daarna lopen we door naar de Santi Giovanni e Paolo waar we om 15.30 uur in een café afgesproken hebben met Mattozzi en Guanci. Ik herken Mattozzi onmiddellijk (we hebben elkaar ontmoet tijdens een Euroclio-conferentie in Bologna in 1993) als hij vóór het café in gezelschap staat te praten. Hij ziet mij ook en prompt vallen mij twee omhelzingen ten deel. We gaan in het café in een hoekje zitten, bestellen koffie en zitten al snel te praten over het geschiedenisonderwijs. Opnieuw blijkt hoe belangrijk geschiedenisonderwijs in Italië is: het is geen onderwerp van discussie en het is algemeen geaccepteerd als onmisbaar onderdeel van algemene vorming voor ALLE leerlingen tot 18 jaar. Natuurlijk is er wel een debat gaande over de inhoud en de didactische benadering van het vak. Dat is een gevoelig punt. Er zijn slechts weinig docenten opgeleid voor het vak geschiedenis, laat staan dat ze enige vakdidactische scholing hebben gehad. In de meeste gevallen krijg je een bevoegdheid voor geschiedenis als je het als bijvak hebt gedaan bij de studie Italiaans of filosofie. Deze twee vakken zijn de hoofdvakken en dat houdt meestal in dat op scholen de docenten Italiaans en filosofie ook geschiedenis geven. In de praktijk betekent dit dat als men bijvoorbeeld bij de les Italiaans bezig is met de behandeling van Dante de geschiedenis gebruikt om de late Middeleeuwen en het begin van de Renaissance te behandelen. Bovendien ontbreekt de specifieke geschieddidactische benadering tijdens de lessen. Geschieddiactiek wordt sowieso in Italië niet of nauwelijks onderwezen. Mattozzi en Guanci vormen een uitzondering hierop. Dan volgt een gesprek over de canondiscussie. Er is nauwelijks een debat over de canon in Italië. De canon is gewoon wat er in de schoolboeken geschreven staat en daar is men het in grote lijnen over eens. Althans, dat lijkt zo te zijn. Bij navraag blijkt dat de canon veel te veel politieke geschiedenis bevat en te weinig gaat over sociaal-economische zaken die concreet en herkenbaar zijn voor leerlingen, hun interesse wekken en aansluiten bij hun belevingswereld. En natuurlijk hoort daar ook politieke geschiedenis bij, maar die zou meer aansprekend gebracht moeten worden door bijvoorbeeld een narratieve benadering of een probleemgerichte benadering. Natuurlijk is de behoefte van een dergelijke benadering bij de scuole professionale het grootst. Mattozzi is gevraagd door scholen in Bergamo om advies te geven in de onder- en bovenbouw op het gebied van de geschieddiactiek bij deze scholen. In de bovenbouw van de scuole professionale is de canon gereduceerd tot de laatste vijftig jaar. Dat vindt hij een slecht idee; vanaf 1870 was beter geweest, want dan kun je de Italiaanse eenwording (de tijd na het Risorgimento), de Eerste en de Tweede Wereldoorlog erbij betrekken en die zijn ook voor deze leerlingen noodzakelijk om het heden te kunnen verklaren. Wat ze wel goed vinden is dat de geschiedenis in de bovenbouw beperkt blijft tot nationale en Europese geschiedenis maar geen wereldgeschiedenis, dat staat te ver van de leerlingen af. Hiermee zijn we aanbeland bij het motivatieprobleem van leerlingen in de bovenbouw. Dat kan allen maar opgelost worden door af te stappen van louter politieke geschiedenis, door een betere geschieddidactische onderbouwing van docenten, door een actieve rol van de school in het stimuleren van buitenschoolse activiteiten, maar ook door binnen de school leerlingen actiever te laten bezig zijn met het doen van bijvoorbeeld onderzoekjes naar de lokale geschiedenis. De directies van scholen zullen een meer enthousiasmerende en stimulerende rol moeten gaan spelen en daar wil het op scholen nog wel eens aan ontbreken. De laatste politieke ontwikkelingen als het gaat om de onderwijshervormingen, stellen de heren niet gerust. Na de Scuola Media gaat iedereen door naar het vervolgonderwijs, maar 30% haakt af zonder diploma door na het bereiken van de leerplichtige leeftijd op 16-jarige leeftijd het onderwijs te verlaten. Wat het CFP (het leerwerktraject) betreft, de leerlingen die daarop zitten krijgen geen geschiedenis meer en ook veel andere algemeen vormende vakken niet meer na hun 15e jaar, omdat ze op die leeftijd de meeste tijd doorbrengen met werken in bedrijven. Dat brengt veel mensen ertoe te zeggen dat de leerplichtige leeftijd teruggebracht is tot 15 jaar. Ten slotte hebben we nog over het examensysteem gesproken. Zij zijn zeer geïnteresseerd in het Nederlandse systeem van toetsing. Op dit moment krijgen leerlingen in Italië op 7, 8 en 9-jarige leeftijd toetsen op het gebied van Italiaans, wiskunde en ‘scienze’ (een combinatie van natuur-, scheikunde en biologie). In klassen van het basisonderwijs in Bergamo begeleidt Mattozzi docenten die gezamenlijk geschiedenistoetsen maken die vooral kennis en vaardigheden combineren. Er zijn ook landelijke experimenten gaande met toetsen voor 15-jarigen. Mattozzi en Guanci zouden graag zien dat geschiedenis daar bij gevoegd wordt en reageren enthousiast als ik ze aanbied enkele voorbeelden van geschiedenisvragen uit de Cito-toets in een Engelse vertaling op te sturen. Eigenlijk zouden ze al graag zien dat ik bij een conferentie in juni hierover wat zou kunnen vertellen en een artikel voor het tijdschrift van Clio ’92 over de toetsingsproblematiek wil schrijven, maar dat vind ik iets te snel gaan. Eerst maar eens even met Invalsi in Frascati gaan spreken. Een toekomstige samenwerking Cito-Invalsi-Clio’92 lijkt me een uitstekend idee. Na afloop van het gesprek gaan we naar buiten om afscheid te nemen. Van beide heren wordt weer uitbundig kussend afscheid genomen, maar niet nadat Manlio een foto maakt van ons drieën waar ik tussen de heren in sta, gearmd en wel, vóór de leeuw van de kerk van de Santi Giovanni e Paolo en met Mattozzi die het Cito-tasje duidelijk zichtbaar voor de camera vasthoudt. Ik zie hem a.s. donderdag weer in Bologna. Manlio heeft deze bijeenkomst ook zeer gewaardeerd. Je kunt zien dat hij geniet van contacten op zijn vakgebied die verder gaan dan de eigen school. Hij zou een heel goed radertje in het Italiaanse toetsingsnetwerk kunnen zijn en niet alleen omdat hij als een van de weinige Italianen veel talen spreekt, inclusief Nederlands, maar ook omdat hij goede ideeën heeft en weet waar hij over praat.

Zondag 13 maart

Vanmorgen in de stralende lentezon een lange wandeling gemaakt van ruim twee uur met Manlio en Brigitte in de heuvels rondom Conegliano. Het was zelfs warm en ik moest de jas uit doen; de lente kan niet lang meer op zich laten wachten. Ik heb de hele familie getrakteerd op een lunch in osteria all’Antica Guizza. Deze overheerlijke hapjes, deze ‘cena fredda’ kostte me inclusief de wijn voor vier personen 35 euro. Daar kun je nog eens een gezin voor uit eten nemen! Na thuiskomst zijn Brigitte en ik met zijn tweeën nog op bezoek geweest bij Jeanine Raedts in Tovena, 15-20 km. van Conegliano vandaan. Jeanine adverteert op de Dante-site met B&B. Ik kende haar niet, maar het is wel grappig om de persoon te zien die achter (de mailtjes van) de advertentie zit. Ze blijkt een vrouw van rond de 40 te zijn, met een sterk Limburgs accent, maar die na haar tiende jaar met haar ouders naar Engeland verhuisd is en daar een universitaire studie in Oxford heeft gevolgd. Tijdens het toeren door Europa is ze in Noord-Italië blijven hangen, getrouwd met een Noord-Italiaanse dermatoloog en samen hebben ze vijf jaar geleden een dochtertje gekregen die ze tweetalig (Italiaans-Engels) opvoeden. De oude boerderij in Tovena hebben ze in stijl opgeknapt. Vooral in de maanden mei tot en met september zitten ze goed volgeboekt. Verder geeft ze nog Engelse les op een verpleegsteropleiding in Conegliano en vertaalt ze teksten voor een firma die pasta maakt. Een bezige bij dus die weet wat ze wil. Het was leuk om kennis gemaakt te hebben met haar. Bij thuiskomst nog even aan het logboek gewerkt tot plotseling de stroom uitviel en ik een deel van mijn teksten kwijt was. Brigitte verzuchtte dat ik nu wel kon zien dat we soms met een derdewereldland te maken hebben. Van de andere kant moet gezegd worden dat nog geen anderhalf uur later (op een zondag!), de elektriciteitsmaatschappij langs kwam om de boel te repareren. Na de zoveelste overheerlijke avondmaaltijd (hoe kan ik hier ooit afvallen) werd het tijd om afscheid te nemen van Leo en Manlio. Zij moeten morgen in alle vroegte naar school. Van Brigitte neem ik later afscheid; zij heeft de ochtend vrij om thuis te werken (…). Daarna ga ik op weg naar hun zoon Giovanni in Bologna voor het volgende avontuur. Wat heb ik hier een geweldige tijd gehad en wat heb ik geboft met een dergelijk fantastisch gastvrij gezin. Het had niet beter gekund. Grazie mille Santa Brigitta e Santo Manlio!

Maandag 14 maart

Na het ontbijt de boel ingepakt en in de auto geladen. Tjonge, wat is die weer volgeladen, daar zou absoluut niemand meer bij kunnen. Afscheid genomen van Brigitte en vertrokken richting Bologna, de eindbestemming voor vandaag. Het is wederom prachtig weer. Mijn eerste bestemming voor onderweg is Arquà Petrarca, de plaats waar Petrarca zijn laatste levensjaren doorbracht en begraven ligt. Vóór de kerk staat de grote, hoge sarcofaag van Petrarca. Het schijnt dat er zo’n kleine 400 jaar geleden in de sarcofaag is ingebroken en dat er sindsdien een arm vermist wordt. De steile straatjes naar boven benemen me de adem, maar dan sta ik uiteindelijk toch voor de ‘casa Petrarca’, het huis waar de beroemde dichter zijn laatste levensjaren heeft doorgebracht. Bij het gesloten hek staat een Italiaan die ook graag naar binnen had gewild, maar we zijn net te laat: de pasta zal wel ergens in het dorp voor de museumbeheerder klaar staan. Ik besluit dat voorbeeld te volgen, loop naar beneden en kies een restaurant uit op de naam: “De Laura”, door Petrarca zo mooi in zijn gedichten beschreven. Tijdens mijn maaltijd komt ook de Italiaan binnen die voor de gesloten poort stond. We hebben een zeer geanimeerd gesprek in het Italiaans. Hij komt uit Napels, is een financieel deskundige en wilde even van de drukke autoweg af om rust (en cultuur!) te zoeken. Een bijzonder aardige jongeman die natuurlijk een visitekaartje van mij krijgt. Dit zijn van die contacten waar je niet zeker van weet of dit in de toekomst nog wat kan opleveren. Na wat twijfel besluit ik na de maaltijd toch maar bij de auto te wachten tot het huis van Petrarca om 15.00 uur weer open gaat. Ondertussen lees ik verder in het boek van Geert Mak (‘In Europa’, speciaal mee gewacht met lezen tot deze reis). Door de Prosecco bij de maaltijd word ik wat doezelig en val zowaar even in slaap om daarna met een verbrande kop wakker te worden. Opnieuw helemaal naar boven gelopen waar na enig wachten voor het hek een vrouw tegen mij zegt dat tot 1 mei de toegang op maandag gesloten is. Er zit niets anders op dan te vertrekken. Nog even in Este uitgestapt om in het park binnen de kasteelmuren te lopen. Hier heeft het geslacht Este gewoond dat later in Ferrara zo’n grote rol zou spelen. Na vijf uur rijd ik het drukke Bologna in, bel Giovanni op bij de afgesproken plek en niet veel later is de bagage naar binnen gebracht en de auto geparkeerd. Hij woont in een studentenappartement niet ver van het centrum samen met nog drie andere studenten: zijn oude schoolvriend Dario, met wie hij op één kamer bivakkeert, zijn neef Marco en een Siciliaans meisje, Laura (Petrarca heeft me toch gehoord!). Van haar krijg ik de kamer voor de komende vijf nachten, een geweldige geste! Giovanni en ik lopen samen in het donker naar het centrum van Bologna, langs de oude universiteitsgebouwen, onder de beroemde arcaden door tot we plotseling bij de twee grote, scheve torens in het centrum aankomen, de Torre degli Asinelli en de Torre Garisenda, zo onvergetelijk beschreven in de Hel van Dante. Vlakbij de torens gaan we buiten op een terras zitten, drinken een flinke pot bier en kletsen gezellig bij. We gaan pas na 9 uur eten, de gebruikelijke tijd hier. Bij een studentenhuis hoort ook een studentenmaaltijd. Ik was even vergeten hoe dat allemaal ook alweer ging … . Na de maaltijd komt de whisky die ik van Tom gekregen had (dank namens alle studenten!) op tafel en we kletsen met zijn vieren aardig wat af, over de studie, de politiek, de toekomst. Je voelt je op zo’n moment jong en oud tegelijk. Dankzij neef Marco kan ik kosteloos op internet, lees en beantwoord mijn mail en publiceer mijn laatste bijdrage. Morgen staat Ravenna op het programma, een déjà vu waar ik naar uit zie.

zaterdag, maart 12, 2005

van maandag 7 tot en met donderdag 10 maart

Maandag 7 maart 2005

Vanochtend heb ik niet veel gedaan. Brigitte heeft vandaag haar ‘vrije dag’, dat houdt voor haar in dat ze als ‘casalinga’ het huishouden moet doen. We drinken samen koffie en hebben een lang en indringend gesprek over van alles en nog wat. Daarna ga ik met Orso een krantje kopen en neem gelijk een bloemetje mee voor Brigitte. Helaas laten de Nederlandse roosjes ’s avonds al hun koppetjes hangen. Ja, de Nederlanders weten wel wat ze aan buitenlanders verkopen. Ik lees wat artikelen in la Repubblica over de bevrijding van de Italiaanse journaliste Giuliana Sgrena en de tragische dood van de Italiaanse geheim agent die bij haar bevrijding bemiddeld heeft. Twee dingen vallen onmiddellijk op in de berichtgeving. Ten eerste de beschuldiging dat de Amerikanen eigenlijk niet hem maar haar hadden willen doden omdat ze als communistisch journaliste negatief over de Amerikanen in Irak schreef en mogelijk op het punt stond onthullingen te doen. Ten tweede de golf van patriottisme die het land overspoelt na de dood van de geheime agent. Zelfs de scholen moeten een minuut stilte in acht houden, iets wat Manlio onder protest doet. Hij vindt dit te veel rieken naar politiek patriottisme. Dat zal hem in deze streek met veel aanhangers van de Lega Nord niet in dank worden afgenomen. Ik maak vervolgens het verslag van gisteren af en daarna is het alweer ‘pastatijd’! Na de middagmaaltijd neemt Manlio mij mee naar zijn school. Vanmiddag heeft hij een gastspreker op bezoek die een lezing houdt over de Europese Grondwet. De leerlingen van twee examenklassen, bijna allemaal meisjes van rond de 19 jaar, zitten klaar met pen en papier om aantekeningen te maken. Ruim twee uur luisteren ze aandachtig en geïnteresseerd (en gedisciplineerd!) naar het verhaal van Sandro de Narte, ik vermoed een soort aio-student van de Rechtenfaculteit van de Universiteit van Padua. Hij spreekt langzaam en duidelijk waardoor het warempel ook voor mij nog te volgen is. Interessant wordt het als hij zegt dat de grondwet (grammaticaal vrouwelijk!) de belangrijkste wet is van een land waarin de volkssoevereiniteit tot uitdrukking gebracht is. Dat is iets anders dan het tekenen van een verdrag (grammaticaal mannelijk!), dat meestal iets specifieks betreft en ondergeschikt is aan de grondwet. De Europese Grondwet is een combinatie van beiden: een constitutioneel verdrag (en daarmee een travestiet!). Moet een dergelijke wet door een referendum worden bekrachtigd of niet? Eigenlijk zou je zeggen van wel, maar in Italië zijn er op twee gebieden geen referenda mogelijk: alles wat met belastingen te maken heeft (anders zouden de Italianen alle belastingwetten direct afschaffen …) en internationale verdragen. Omdat er in Italië bij uitzondering over de ratificatie van de Europese Grondwet tussen de linkse en de rechtse partijen vrijwel consensus bestaat, zal Italië dus geen struikelblok bij de invoering ervan vormen. Vlak voor etenstijd maken Manlio en ik nog een wandeling, waarbij hij kort de turbulente geschiedenis van Noord-Italië, en de Veneto in het bijzonder, van de laatste twee eeuwen vertelt. Van Napoleon, via de Oostenrijkse ‘dominionpolitiek’ (wettelijk gezag) en Cavour tot en met het irredentisme en de Eerste en Tweede Wereldoorlog: het is er hier stevig aan toe gegaan. Tijdens het warme eten komt Dante ter sprake. Leo heeft morgen een overhoring over de ‘Hel’ (Inferno) en wordt overhoord door Manlio. Hele passages worden uit het hoofd gedeclameerd door Manlio en vervolgens geanalyseerd. Ik vraag aan Leo of ze wel van deze teksten en verhalen houdt en het antwoord is bevestigend. In Italië bestaat ook hier consensus over: Dante is de belangrijkste dichter die letterlijk gekend moet worden op school, maar het is ook gewoon mooie literatuur die je voor je plezier leest. Mijn les die ik vandaag geleerd heb is dat het lijkt alsof Italianen het nooit met elkaar eens zijn, maar in werkelijkheid bestaat er meer overeenstemming over een heleboel zaken dan van tevoren gedacht. Zo ook met betrekking tot de historische canon, maar daarover later meer. De avond wordt besloten met het publiceren van de eerste bijdragen op de weblog, het aanvullen van de aantekeningen van vandaag en het voorbereiden van de dag van morgen naar Venetië en Treviso.

Dinsdag 8 maart

Het is prachtig weer, de zon schijnt volop. Tijd om er op uit te gaan. Vandaag staat Venetië op het programma. In drie kwartier ben je er met de trein vanuit Conegliano en voor nog geen 8 euro retour. De Canal Grande slingert zich als een S door de stad en vormt een natuurlijke scheidslijn tussen twee min of meer even grote delen van de stad. Ik wil de toeristische routes zoveel mogelijk vermijden en besluit door de steegjes naar de kerk van ‘i Frari’ te wandelen, een vast punt voor mij als ik in Venetië ben. De eenvoud van de kerk gevoegd bij enkele prachtige schilderijen van Titiaan en een juweeltje van Bellini (Pala di Pesaro) zorgt voor een weldadige rust. Bij het graf van Monteverdi kan ik het niet laten een madrigaal ter meerdere eer en glorie van de maestro te neuriën. Vanavond een Cd-tje van hem uit de koffer halen en opzetten. Helaas is het niet mogelijk bij het Palazzi Foscari, het oude universiteitsgebouw, naar binnen te gaan i.v.m. een verbouwing. Dan maar direct doorlopen naar een goed gesorteerde en niet al te dure boekhandel: la Toletta. En wat kom ik daar tegen? Het boek waar ik al een tijdje naar op zoek ben: een facsimile van Francesco Colonna’s Hypnerotomachia Poliphili uit 1499, weliswaar afgeprijsd, maar niet goedkoop. Toch maar niet doen. De weg wordt vervolgd en bij de Accademia steek ik de Canal Grande over. Na enkele omzwervingen kom ik waar ik wezen wil: het theater La Fenice. Dit theater is aan het eind van de 18e eeuw gebouwd, na een brand in 1836 in oude luister hersteld en na opnieuw een brand in 1996 is de feniks onlangs weer uit de as herrezen. Vandaar de naam: La Fenice III. Ik heb niet gereserveerd, dus waarschijnlijk zal het me toch wel niet lukken om binnen te komen. Maar je weet maar nooit. Mijn meest zielige gezicht opgezet en gevraagd: ‘Sono solo e sono venuto di Paesi Bassi per vedere la Fenice, è possibile che …’ enz. enz.. De vrouw achter de balie kijkt me even aan, maakt mij met veel handgebaren duidelijk dat reserveren noodzakelijk is, dat er op zijn vroegst overmorgen pas plaats is (ze laat even een stilte vallen) en … dat ik over drie minuten met een groep Italiaanse bejaarden naar binnen kan. Joepie! Wat een overrompelende indruk maakt dit theater op me. Renzo Piano heeft zijn uiterste best gedaan het weer in zijn oude glorie te herstellen (o.a. met hulp van foto’s én een oude film van Visconti!). De akoestiek schijnt geweldig te zijn. Na deze sensatie vervolg ik mijn weg naar de Piazza San Marco. Toeristischer kan niet. Gelukkig is het er veel minder druk dan in de zomer. Bovenop de Campanile heb ik een mooi uitzicht over de hele stad. In de San Marco klim ik eerst naar boven. Daar staan de vier originele beelden van de steigerende paarden in een overdekte ruimte tentoongesteld. Enkele afgietsels daarvan sieren nu de voorgevel. Het uitzicht op het plein, maar vooral ook op het interieur van de kerk is adembenemend. Het doet me denken aan de mozaïeken in Ravenna en Palermo, waar eveneens veel byzantijnse invloeden terug te vinden zijn. Daarna loop ik nog even beneden door de kerk om uiteindelijk te eindigen bij de Pala d’Oro, het gouden altaarstuk, versiert met ongelooflijk veel edelstenen. Tussen die edelstenen zijn allemaal heiligen geschilderd. Tot mijn verbazing zie ik daar tussenin St. Naum staan. De plaats waar deze heilige begraven ligt, bij het meer van Ohrid in Macedonië, op de grens met Albanië, heb ik in 2000 en 2002 bezocht, vandaar dat ik hem meteen herken. Het wordt tijd om weer naar het station te gaan. Op de terugweg toch maar besloten om nog een keer bij la Toletta langs te gaan en het boek te kopen. Per slot van rekening stamt de eerste druk uit Venetië en áls je dan de kans hebt dit boek op dezelfde plaats te kopen, tja, dan weet je het wel … .
Om 17.30 uur had ik met Manlio afgesproken in Treviso. Hij staat er keurig op tijd. Samen lopen we naar de school ‘G. Giorgi’, een zogenaamde I.P.S.I.A.-school (= Istituto Professionale di Stato Industria en Artiginato (=ambacht)). Hier hebben we een afspraak met mevr. Nara Ronchin, lerares geschiedenis aan een soort VMBO-school. Ze ontvangt ons hartelijk in haar werkkamer. Enthousiast laat ze zien hoe ze het vak geschiedenis op deze dag- en avondschool georganiseerd heeft. Ze heeft de didactische aanpak van Antonio Brusa overgenomen (hem zie ik half april in Bari, waar ik bij hem thuis logeer). Omdat hier veel drop-outs en allochtone leerlingen tweede kansonderwijs volgen, heeft zij de didactische aanpak van het vak geschiedenis daarop aangepast. De nadruk ligt vooral op inzicht en vaardigheden. De leerlingen moeten rondom een zelf gekozen onderwerp informatie zoeken en die informatie van commentaar voorzien. Meestal betreft het een hedendaags, maatschappelijk probleem waar vanuit de verschillende vakdisciplines naar gekeken wordt. Er moet altijd een historische component bij zitten. De aanpak is probleemgericht en pluriform, d.w.z. meerdere visies staan naast elkaar. De benadering doet me denken aan maatschappijgeschiedenis: kenmerkende aspecten van maatschappijtypen moeten herkend en beschreven worden (bv. de overgang van een agrarisch-stedelijk naar een stedelijk-industrieel maatschappijtype, maar ook een vergelijking van de manier van leven in de prehistorie met de manier van leven van bijvoorbeeld aboriginals in Australië). Door deze vakoverstijgende probleemgerichte benadering is het nodig dat er tweewekelijks overleg plaats vindt met de collega’s van de andere vakken die ook allemaal meedoen. Om die vergaderingen mogelijk te maken, zijn de lestijden teruggebracht van 60 naar 45 minuten. Deze aanpak werkt zo goed dat niet alleen vroegtijdige schoolverlaters in de avonduren terugkomen, maar heeft ook tot gevolg dat het aantal leerlingen voor de avondschool is toegenomen van 30 naar meer dan 250 in een paar jaar tijd. Het programma is voor de dag- en avondschool hetzelfde. IPSIA is een Scuola Media Superiore. De leerlingen komen hier op 14-jarige leeftijd binnen en kunnen óf na drie jaar óf na vijf jaar de school verlaten met een diploma. De leerplicht geldt officieel tot 16 jaar. Zou je dan de school verlaten, heb je dus niets. Het vak geschiedenis wordt in alle leerjaren onderwezen. De eerste drie jaar overzichtsgeschiedenis (‘canon’-achtig), de laatste twee jaar via een projectmatige aanpak zoals hierboven beschreven, waarbij lokale geschiedenis of omgevingsgeschiedenis een belangrijke rol speelt. Het is zelfs mogelijk na deze vijf jaar naar de universiteit te gaan, maar bijna niemand maakt daar gebruik van. Geschiedenis wordt als een belangrijk vak beschouwd omdat het onderdeel is van het mens-zijn, waarbij het menselijk handelen centraal staat. Het gaat in het leven per slot van rekening om ‘verità e virtù’ (letterlijk: waarheid en deugd), Balkenende zou het normen en waarden noemen. De benadering van de onderwijshervormer Bertagna, die ik overmorgen ontmoet in Brescia, wordt door haar verworpen. Die wil volgens haar alleen maar de feiten terug en kennis. De wereld om je heen moet begrepen worden zodat mensen meer begrip voor elkaar en elkaars handelen krijgen (inzicht) waardoor er ook meer vrede (‘pace’) kan komen. Een erg idealistische instelling misschien, maar als benadering voor deze leerlingen niet onbegrijpelijk. We nemen afscheid met enkele stevige kussen, voor Manlio twee en ik maak er naar goed Hollandse gewoonte drie van. Voor de vrede is niets mij te veel … .

Woensdag 9 maart

Voor vandaag heb ik een al lang gekoesterde wens op mijn programma staan: Padua. Na twee uur treinen kom ik om 11 uur aan, opnieuw begeleid door een stralende zon die steeds meer warmte lijkt af te geven. De lente komt er aan! De eerste bezienswaardigheid zal tevens het hoogtepunt van de dag zijn, dat weet ik al van te voren: de Scrovegnikapel! Veel over gelezen, maar nog nooit in het echt gezien. Na vele jaren van restauratiewerkzaamheden is het weer mogelijk om tegen een forse prijs in kleine groepen kortstondig naar binnen te gaan. Als een kleine jongen begint mijn hartje te bonzen! Maar wat een teleurstelling als ik bij de ingang tussen een stel schreeuwende schoolkinderen terecht kom en ik vervolgens eerst in een ander gebouw een ticket moet kopen. Opnieuw proberen dus. Omdat er niet veel toeristen zijn in deze tijd van het jaar, ben ik zo aan de beurt. Om de 15 minuten worden er groepen doorgelaten en nu zit ik in een groep van …. twee personen, mezelf meegerekend! Een buitenstaander kan zich niet indenken wat het betekent om vrijwel alleen in die kapel te staan en de werkelijk sublieme schilderingen van Giotto nu zo tastbaar dichtbij te hebben. Met eigen ogen kun je zien dat in Italië de Middeleeuwen met Giotto al in 1300 afgelopen zijn: er zit diepte in de schilderingen, de figuren zweven niet meer, de mensen tonen emoties, zijn duidelijk herkenbaar en onderling verschillend, de kleuren zijn helder en soms zelfs gedurfd. Wat als afbeelding het meest blijft fascineren is natuurlijk de interpretatie van de hel, met de mensenverslindende Lucifer in het middelpunt. Het doet me denken aan de beschrijving van de hel in Dante’s Inferno. Zou Dante vóórdat hij begon met zijn Divina Commedia deze schildering van Giotto al gezien hebben? M.a.w. zou hij erdoor geïnspireerd kunnen zijn? Ik weet dat hij Giotto genoemd heeft in een van zijn verzen en ik weet dat het tijdgenoten zijn, maar of ze elkaar ooit ontmoet hebben? Toch eens aan Frans van Dooren vragen. Hoe het ook zij, in plaats van de talrijke prachtige tekeningen van Gustave Doré is deze ene schildering van Giotto voldoende om een duidelijk beeld te krijgen van de toenmalige opvattingen over de Hel. En afschrikwekkend tegelijkertijd. Je kunt je voorstellen dat je er in die tijd beter aan deed om gelovig te zijn, of, anders gezegd, dat het bijna onmogelijk was om niet gelovig te zijn. Met hetzelfde ticket mag ik vervolgens het stedelijk museum van de Eremitani in, maar behalve het ‘portret van een jonge Senator’ van Giovanni Bellini kan het museum me niet bekoren: te veel, een allegaartje bij elkaar en na de kapel een ongelijke strijd natuurlijk. Op naar de Eremitani-kerk dan maar, gebouwd voor de kloostergemeenschap van de Augustijnen-Heremieten in de 13e/14e eeuw. Na een geallieerd bombardement in 1944 is de mooiste schat van de kerk grotendeels verdwenen: de 15e eeuwse fresco’s van Andrea Mantegna. Ik loop verder richting stadscentrum en kom uit bij het Palazzo della Ragione, een groot gebouw, bijna een hal eigenlijk, uit de 13e/14e eeuw, vroeger gebruikt als rechtszaal. Buiten is er de bedrijvigheid van de groente-, fruit- en vismarkt. Je waant je bijna in de Middeleeuwen! Tijd om door te lopen naar de Basilica di San Antonio. Die ken ik nog uit mijn eigen jeugd als mijn moeder iets kwijt was: ‘Heilige Antonius, beste vrind, zorg dat ik … (vul maar in wat ze kwijt was) weer terug vind’. Voor haar een beeldje van onze vrind gekocht (als ze dat maar niet kwijt raakt). Met verwondering heb ik gekeken naar de manier waarop mensen hem aanbidden: in devotie geknield, met gesloten ogen de grafsteen aanrakend en talloze gebedjes prevelend. Zijn graf is volgehangen met wensen en bedankjes, velen voorzien van foto’s, sommige zelfs van auto’s die helemaal in elkaar gereden zijn en waarvan onze vrind de inzittenden toch echt niet meer levend kan maken. Van binnen heb ik wel eens mooiere kerken gezien. Van buiten is het echter een merkwaardig geheel: drie grote ronde koepels, vijf verschillende soorten torentjes, opzij en van voren driehoekige façades, een merkwaardig soort gotiek, maar ook weer niet onaardig. Op het plein vóór de kerk staat het ruiterstandbeeld van Gattamelata, gemaakt door Donatello. Het schijnt het eerste vrijstaande bronzen ruiterstandbeeld te zijn sinds de klassieke oudheid. Vervolgens staat de universiteit van Padua op het programma: ‘Il Bò’ (de os), genoemd naar een albergo die vroeger op die plek heeft gestaan. De universiteit is na Bologna en Parijs de derde oudste van Europa. De bekendste docent was Galileo Galilei, die hier van 1592 tot 1610 natuurkunde doceerde. Tijdens een korte rondleiding krijgen we het anatomisch theater te zien dat rond 1600 gebouwd werd door de patholoog Girolomo Fabrizi d’Acquapendente. Het bestaat uit zes boven elkaar gelegen houten galerijen met ongeveer 300 zitplaatsen, een werkelijk fascinerend bouwwerk. De lijken werden hier voor het oog van de studenten bij kaarslicht ontleed. Helaas hebben we het houten katheder waaraan Galileo Galilei doceerde niet meer kunnen zien vanwege diploma-uitreikingen. Studenten die hun doctoraal behaald hebben, gaan uit hun bol en op straat zingen ze schunnige liederen die de tolk helaas niet wil vertalen. Schuin tegenover de universiteit ligt het beroemde Caffè Pedrocchi. Het ziet er sjiek en niet goedkoop uit, maar dat weerhoudt me er niet van om met mijn smerige bergwandelschoenen naar binnen te lopen en er een lekker kopje koffie met gebak te nemen. Ik beëindig mijn rondwandeling door Padua met een kijkje in het universiteitsgebouw Liviano waar Manlio vroeger filosofie en geschiedenis gestudeerd heeft. Tot mijn verassing zie ik dat er op hetzelfde moment een college ‘geschiedenis van de Nederlandse literatuur’ wordt gegeven in het Italiaans. Normaal gesproken ben ik wel zo brutaal om in de collegebanken aan te schuiven, maar in dit geval besluit ik toch maar de trein terug te nemen naar Conegliano. Het is al vrij laat en ik ben behoorlijk moe geworden. Bovendien heb ik vandaag zoveel nieuwe indrukken opgedaan dat ik bang ben de ‘ziekte van Stendhal’ te krijgen. Gelukkig brengt de pasta van Brigitte en de Prosecco van Manlio weer nieuw leven in me …

Donderdag 10 maart

Vandaag heb ik om 12.30 uur een afspraak in Brescia met een man die algemeen bekend staat als de verantwoordelijke persoon in Italië op het gebied van de uitvoering van de Italiaanse onderwijshervormingen: Giuseppe Bertagna. Rond het middaguur kom ik na een reis van drie uur in Brescia aan. De stad zelf heeft niet zo veel te bieden. Het is vooral een industriestad, maar beschikt wel over een klein karakteristiek historisch centrum. Op het Piazza della Loggia zit het VVV-kantoor, altijd het eerste gebouw dat je in een onbekende plaats moet bezoeken. Met een tas vol toeristische informatie, daar is men hier niet krenterig mee, ga ik weer naar buiten. Heel bijzonder is de Torre dell’Orologio, een grote oude klok met wijzerplaat die tussen de gevels is aangebracht en een kopie blijkt te zijn van een dergelijke toren op het San Marcoplein in Venetië. Via de Via dei Musei kom ik plotseling terecht bij de Tempio Capitolino, een goed bewaard restant van een Romeinse tempel voor de goden Jupiter, Juno en Minerva. Verderop ligt het complex van de Musei Civici, waar de straat zijn naam aan te danken heeft. Het is een oud kloostercomplex, de Santa Giulia, waar momenteel een tentoonstelling van Monet te zien is (met enkele schilderijen van het Kröller Möller uit Otterlo!). Jammer genoeg heb ik te weinig tijd voor een bezoek. Bovendien stikt het hier weer van rumoerige schoolklassen. Dat moet ik de Italianen nageven: ze doen ontzettend veel in het onderwijs aan cultuur, inclusief museumbezoeken. Daarna wordt het tijd om de christelijke educatieve uitgeverij op te zoeken waar Bertagna werkzaam is. Hij blijkt een beminnelijke man te zijn, zo te zien tegen de 60. Hij spreekt nauwelijks een woord over de grens, dus dat betekent alle zeilen bijzetten. Hier volgt een samenvatting van het gesprek. Bertagna somt enkele grote problemen op waar Italië in het onderwijs mee te maken heeft:
1) er zijn te veel leerkrachten die alleen maar inhoudelijk met hun vak bezig zijn en te weinig didactisch geschoold (er zijn dus te weinig didactisch opgeleide leerkrachten geschiedenis);
2) de politieke scheidslijnen zijn zeer groot. Alles wordt langs de politieke meetlat gelegd van ‘links’ (hij spreekt van ‘marxisten’!) en ‘rechts’. Er wordt niet meer genuanceerd gedacht in het belang van het onderwijs..
3) de ‘marxisten’ willen van iedereen intellectuelen maken. Het gevolg is dat a) er te veel studenten zijn die niet thuis horen op een universiteit b) er te weinig mensen opgeleid worden die een beroep met hun handen kunnen uitoefenen (‘terwijl de industrie toch de basis van de welvaart in ons land is’). Hij verzucht dat iedereen maar wil studeren op een universiteit en dat er niemand nog wil werken in dit land … . Het Ministerie van Onderwijs, en Bertagna zelf ook, is voorstander van een tweedeling in het onderwijs. Enerzijds de Lycea (met 40% van alle leerlingen; nadruk op theoretisch onderwijs, maar daarnaast ook iets praktisch) en anderzijds een soort VMBO (60% van alle leerlingen; nadruk op de praktijk en minder op de theorie). Hij zegt er wel nadrukkelijk bij dat iedereen in Italië vindt dat naast de Italiaanse taal geschiedenis in alle vormen van voortgezet onderwijs een verplicht vak moet zijn, zoals het dat nu ook al is (tot 18 jaar). De huidige verdeling van de leerlingenpopulatie is echter een andere: 75% is met algemene theoretische vorming bezig en heeft het recht om naar de universiteit te gaan (Licei 40% en Istituti Tecnici 35%), de rest is voorbereidend beroepsonderwijs (ISPRO 20% en CFP, een soort leerwerktraject, 5%). Met name die laatste vorm van onderwijs, CFP (= Centri Formazione Professionale), leidt tot grote meningsverschillen. Niet alleen gaan er volgens sommigen veel méér leerlingen naar toe dan Bertagna zegt (schattingen lopen uiteen van 15-20%), maar er blijft nog maar zo weinig algemene vorming over dat volgens velen de leerplicht daarmee voor deze groep leerlingen is afgeschaft en teruggebracht tot 14 jaar. De rest van de week moet er stage gelopen worden (lees: werken in een bedrijf). Bertagna stelt dat de leerplicht hiermee juist is verlengd tot 18 jaar, omdat het leerwerktraject tot die leeftijd doorloopt. Ook hier zijn de politieke scheidslijnen duidelijk zichtbaar. In 2003 is een wet aangenomen die de hierboven beschreven onderwijshervormingen in het voortgezet onderwijs mogelijk moet maken. Vervolgens duurt het nog een tijdje alvorens een wet daadwerkelijk wordt geïmplementeerd. Met ingang van het schooljaar 2006 zouden alle scholen hiermee een aanvang moeten hebben gemaakt. (Manlio vertelt me later dat er na invoering van de onderwijshervormingswet het afgelopen jaar in het basisonderwijs al zoveel protesten zijn geweest dat 90% het gewoon weigerde ui te voeren. Dat belooft wat voor deze nieuwe wet!) Er moeten ook nieuwe lerarenopleidingen komen die opleiden voor deze nieuwe onderwijsvormen. De eerste opleidingen gaan van start in 2006 en leveren de eerste docenten in 2011 af. In de tussentijd geldt een overgangssituatie. Hij geeft aan dat de grootste risico’s in het onderwijs fragmentarisering én polarisatie op lokaal en regionaal niveau zijn. Eigenlijk is het dat nu al (vergelijk bijvoorbeeld Noord en Zuid-Italië maar eens met elkaar). Om dat te voorkomen zijn er volgens hem drie dingen nodig (en hij overhandigt mij een boek waar het in beschreven staat): 1) de regering zal moeten zorgen voor één nationaal onderwijssysteem met duidelijk gedefinieerde leerstandaarden en eindtermen 2) (let op, Citoyens!) er zal een systeem van controle en validering moeten komen om naleving te garanderen. Daarvoor is eerder een ‘Nationaal Instituut voor Validering’, het zogenaamde Invalsi (= l’Istituto Nazionale per la Valutazioni del Sistema di Istruzione), in het leven geroepen. Onder de vorige minister van onderwijs (Berlinguer) werd dit instituut versterkt. Het zou moeten zorgen voor het garanderen en naleven van het onderwijsniveau en de ‘onderwijscultuur’ 3) er moet voldoende ondersteuning zijn om deze onderwijshervorming te laten slagen. Alle Italiaanse burgers krijgen een garantie van minstens 12 jaar onderwijs. Die garantie kan alleen worden gewaarborgd als er enkele onderwijsondersteunende instituten komen die zorgen voor ‘verificatie en controle’, zoals Invalsi. Hier liggen geweldige kansen voor het Cito!! Na het lezen van de company description van het Cito, die ik gelukkig in het Italiaans mocht laten vertalen, raakt ook hij enthousiast. Hij belooft mij te introduceren bij een van de belangrijkste mensen van Invalsi, Giovanni Trainito. Het kantoor staat in Frascati, ongeveer 30 km. van Rome. Daar moet ik beslist langs gaan als ik in Rome zit. Ik krijg zelfs het privé-nummer van de heer Trainito! (voor de liefhebbers, ze hebben ook een website: www.invalsi.it). Er zijn momenteel toetsen ontwikkeld voor Italiaans, Engels en Wiskunde. In de toekomst zullen er ook voor sociale vakken als geschiedenis toetsen gemaakt gaan worden (hij laat nog een keer merken hoe belangrijk dat vak in Italië gevonden wordt; het hoort gewoon bij het mens-zijn, zegt hij). Na anderhalf uur sta ik buiten: een rode kop vanwege de inspanningen die de taalverschillen met zich mee hebben gebracht en drie kilo bagage extra vanwege alle boeken, tijdschriften en stencils die ik van hem gekregen heb. Ik besluit mezelf te trakteren op de grootste pot bier die ze op een terrasje kunnen aanbieden en gezeten in een warm voorjaarszonnetje heb ik het gesprek als een overwinning gevierd.