dinsdag 12 tot en met vrijdagmiddag 15 april
Dinsdag 12 april 2005
Vanwege de inspannende dag gisteren, neem ik me voor het vandaag rustig aan te doen. Ik voel me ook niet zo lekker, waarschijnlijk vanwege de weersomslag van de laatste dagen. Tegen twaalf uur ben ik bij het Nederlands Instituut en haal mijn e-mail op. Met Elly mail ik wat en ook met anderen die me de afgelopen dagen een mailtje gestuurd hebben. Met Antonio Brusa maak ik een afspraak voor volgende week dinsdag en woensdag in Bari. Helaas krijg ik de journalist van de Volkskrant, Michaël Zeeman, nog steeds niet te pakken. En Luigi Cajani, die werkzaam is als historicus aan de universiteit van Rome (dipartimento di storia moderna e contemporanea della Facoltà di Scienze umanistiche dell’Università La Sapienza), vertrekt morgen naar Bilbao voor een congres. Dat betekent dat ik de komende drie dagen kan rondzwerven door Rome, bijvoorbeeld om de stand van zaken in het Vaticaan nog eens op te nemen. De rest van de middag ben ik bezig met het uitwerken van mijn aantekeningen van de gesprekken van gisteren en het publiceren van teksten en foto’s op mijn weblog. Rond zes uur ben ik thuis, doe boodschappen en kook wat voor mezelf. In de loop van de avond komen David en Paola terug van hun werk, maar dan zit ik al lang en breed achter de tv. Ben lekker lui geweest: eerst een discussieprogramma gezien op RAI 3 over de (slechte) economische situatie van Italië (met o.a. minister Trainiti, ik dacht van economische zaken), daarna een documentaire over de laatste dagen van Mussolini (hij blijft mij hardnekkig achtervolgen gedurende deze reis door Italië) en ten slotte over de mozaïekvloer in de kathedraal van Otranto in Apulië. Maar tegen die tijd is de fles wijn leeg en ga ik naar bed.
Woensdag 13 april
Hoewel ik voldoende slaap, merk ik dat ik een terugslag krijg. Of het van de vele indrukken, de drukte van de stad, de omslag van het weer of de wijn is, ik weet het niet, maar vandaag sta ik op met een zwaar hoofd waar ik de rest van de dag last van houd. Laat ik maar weer eens naar het Vaticaan gaan, nu om te proberen de crypte in te komen. De rij wachtenden valt me mee en na drie kwartier sta ik al tussen de sarcofagen van de overleden pausen, behalve die van Joannes Paulus II die op uitdrukkelijk verzoek geen sarcofaag, maar een graf wilde. Ik maak van de gelegenheid gebruik om van de crypte en de sarcofagen de nodige foto’s te maken. Daarna dacht ik nog even snel wat Vaticaanse postzegels te kopen die nu een speciale uitgave kennen met, vrij vertaald, er op geschreven dat er tijdelijk een vacature voor het pausschap is. Maar dat valt even tegen. De wachttijd bedraagt het drievoudige van de wachttijd voor het bezoek aan de crypte. In de rij staan wel echte Italiaanse typetjes. Vooral vrouwen, zoals Anna Magnani die zo mooi in haar film Belissima vertolkte: huisvrouwtjes van middelbare leeftijd die alles in de gaten houden en zich overal mee bemoeien. Zo proberen twee personen op een stiekeme manier voor te kruipen. Nou, de politie wordt er zelfs bijgehaald en het gekijf is niet van de lucht, tot hilariteit van de omstanders. Uiteindelijk lukt het me om enkele velletjes postzegels te kopen. In het centrum van de stad, vlakbij de Piazza Navona, koop ik een leren broekriem, in dezelfde winkel waar ik dat twee jaar geleden ook gedaan heb en die riem draag ik nog steeds naar tevredenheid. Daarna ga ik op zoek naar de sede centrale, de hoofdvestiging, van Dante Alighieri aan de Piazza Firenze 27. De vestiging heeft twee verdiepingen van een groot gebouw, waarvan de bovenste verdieping gereserveerd is voor de (taal)cursisten. Daar bevindt zich in een uithoek de bibliotheek. Bij nader inzien blijkt dat uit niet meer dan één wand met boeken te beslaan. Er zit een man in de ruimte die toezicht houdt. Dat heb je vaker hier in Italië. Ze zitten maar te zitten en doen verder niets, een soort verborgen werkloosheid. Overigens een zeer vriendelijke persoon waarmee ik een kort gesprek voer en vertel waar ik vandaan kom. Als ik weg ga zegt hij tot mijn verassing ‘tot ziens’! Het blijkt dat zijn moeder uit Rotterdam komt. Op mijn vraag of ik een foto mag maken van de ‘bibliotheek’ krijg ik als antwoord dat het officieel niet mag, maar dat hij verder niets gezien heeft … . Hij voegt er wel aan toe dat hij zich een beetje schaamt voor de armzalige collectie. Op de eerste verdieping bevindt zich het secretariaat. De ontvangst vind ik erg koel en afstandelijk. Ook al leg ik uit wie ik ben en wat ik doe, er is niets geregeld voor gasten, er is geen ontvangstmogelijkheid of kleine tentoonstelling, geen brochure of enig ander aandenken, niets van dit alles. Toch wel teleurstellend. Van de moederorganisatie hebben we dus niet veel te verwachten, iets wat Tjeerd Visser, de secretaris van Dante Nijmegen, mij ook al een keer had verteld. Misschien moeten we daar samen met de andere Dante-comitati in Nederland eens iets over zeggen. Ze hebben wel beneden een foto hangen van de paus die in 1996 de sede centrale bezocht en waarmee iedereen op de foto wil. Verder loop ik, richting Ara Pacis, het altaar van de vrede, opgericht in 9 n. Chr. naar aanleiding van het uitroepen van de Pax Augusta, de wereldvrede van keizer Augustus. Het is helaas gesloten wegens langdurige restauratiewerkzaamheden. Er achter ligt het Mausoleum van Augustus. Wat oorspronkelijk bedoeld was als een indrukwekkend, monumentaal graf is nu helaas een met onkruid overwoekerd en met afval omringde heuvel. Het mausoleum telde vier rondlopende gangen die onderling met elkaar verbonden waren en waarin de urnen met de as van de keizerlijke familie werden bijgezet. Opzij van het mausoleum, aan twee kanten, zijn nog duidelijk gebouwen te herkennen uit de fascistische tijd. Op één van de gevels staat zowel de christelijke als de fascistische tijdaanduiding vermeld. Via de Trevi-fontein loop ik naar een internetcafé om mijn elektronische post te bekijken. Daarna ga ik naar de Le Quattro Fontane, een kruispunt van twee drukke wegen waar op iedere hoek een beeld met fontein staat. In deze straat heeft de historicus Jacob Burckhardt gewoond en gewerkt. In een restaurant eet ik een hapje met aansluitend een bioscoopbezoek. Het betreft de film ‘Mondovino, la guerra del gusto’, een film die een prijs gewonnen heeft op het filmfestival van Cannes in 2004 en die gaat over de globalisering van de handel in wijn. Na afloop blijkt het metrostation al dicht te zijn. Ik ken de busverbindingen in Rome te slecht om te weten welke lijnen ik nodig heb om weer thuis te komen. Daarop besluit ik een avondwandeling te maken, dwars door het inmiddels tot rust gekomen Rome. Na twaalven kom ik thuis en val als een blok in slaap. Ik heb zelfs mijn tanden niet gepoetst, maar dat komt omdat er vannacht om de een of andere reden geen water was. Vanochtend had ik veel last van mijn rechtervoet, maar als ik eenmaal op gang ben, maak ik vele kilometers in Rome, gemiddeld zelfs meer dan twintig per dag. En dat geeft me een heerlijk, rustig en voldaan gevoel.
Donderdag 14 april
Gelukkig is er vanochtend weer water. En eindelijk is het gelukt: ik heb een afspraak kunnen maken met Michaël Zeeman, morgenvroeg om 11 uur in het Gran Café aan de Piazza Porta Pia. Mijn hoofdpijn is weg en de zon straalt weer volop. Het is vandaag 17-19 graden. Lekker weer om er op uit te gaan. Bij het Vaticaan slaag ik er in om enkele eerste-dag-enveloppen te kopen in een filatelistenwinkeltje. Daar zijn gewoon de velletjes postzegels te koop waarvoor ik gisteren urenlang in de rij heb gestaan! Toch blijven de rijen voor het Vaticaans postkantoor groeien tot een wachttijd van meer dan twee uur. Ik zeg lekker niets. Gedeelde smart is halve smart. Maar God straft onmiddellijk als ik opnieuw een poging waag bij de wijk EUR om het museum van de Civiltà Romana binnen te komen: ik ben ruim een half uur vóór sluitingstijd in het museum, maar 10 minuten na de sluitingstijd van de ticketverkoop. Dan probeer ik om via de uitgang alsnog binnen te komen. Het is voor de eerste keer dat een beroep op iemand met gebruikmaking van mijn charme niet werkt. De vrouw had ik bijna zo ver dat ik toch even een kijkje op de reusachtige maquette van het oude Rome mocht nemen, toen een andere buitenlander er bij kwam staan. Helaas. Dan maar op weg naar de plaats waar ik eigenlijk voor gekomen was: Tre Fontane, de Abdij van de Drie Fonteinen. Door de bewegwijzering word ik echter op het verkeerde been gezet en zo beland ik eerst aan de overkant van de weg bij de Madonna della Rivelazione delle Tre Fontane, de Madonna van de Openbaring. Het is net Lourdes in het klein. Een klein kerkje is om een grot gebouwd waarin een Mariabeeld staat tussen een zee van bloemen, vooral witte gladiolen. Er zitten drie of vier mensen in devotie geknield voor het hek. Een man van tussen de dertig en veertig houdt het traliewerk krampachtig vast, met het hoofd neergeslagen in gebed. Dit is de plek waar op 12 april 1947 een trambediende met zijn drie kinderen naar toe ging voor een uitstapje. Een van zijn kinderen schopte een voetbal in een grotopening, maar bleef wel erg lang weg. Toen de vader met zijn twee andere kinderen hem gingen zoeken, troffen ze het kind in extase aan voor een stralende gloed die ook voor hen waarneembaar was. In die gloed was, jawel, een mooie jonge vrouw te zien, de Madonna van de Openbaring. Een paar weken later deed hetzelfde verschijnsel zich voor. Toen heeft paus Pius XII op 1 november 1950 besloten deze verschijning te erkennen en vanaf dat moment is deze plaats een bedevaartsoord geworden. Ik loop om het kerkje heen en zie een grotingang. De enige verschijning die ik waarneem als ik er doorheen loop, is de enorme overvloed aan papiertjes, kaarsjes, beeldjes en weet ik niet wat nog meer die tegen de wanden van de gang zijn bevestigd. Als ik de ‘grot’ uit kom, pal achter het kerkje, kom ik uit op een binnenhofje waar opnieuw een zee van beeldjes, briefjes en kaartjes te vinden is. Ook Padre Pio staat er met een borstbeeld pontificaal tussen. Dan wordt het tijd de straat over te steken om de Abdij van de Drie Fonteinen te gaan bezoeken. Allereerst ga ik de abdijkerk in, waar juist op dat moment zes monniken gebeden zingen. Sinds 1868 verblijven hier Franse trappisten. Ik ben de enige gast in de grote abdijkerk, waar in het midden over de hele breedte een ijzeren hekwerk staat om monniken en bezoekers van elkaar te scheiden. Na de bijeenkomst loop ik buitenom naar het heiligdom waaraan de abdij zijn naam te danken heeft. Precies op de plek waar Paulus zou zijn onthoofd is in 1599 een kerkje gebouwd. Volgens de legende zou het hoofd van Paulus bij zijn onthoofding driemaal zijn opgesprongen. Op iedere plek waar dat gebeurde ontsprongen bronnen: één met warm, één met lauw en een met koud water. Er zijn op die plek drie altaartjes neergezet met een schelp bovenin. De bronnen staan nu droog. Dat is maar goed ook want het water werd in de loop van de tijd steeds meer verontreinigd en dat heeft geen heilzame uitwerking op iemands gezondheid. Met de bus en de metro ga ik vervolgens naar de Porta San Paolo, een oude stadspoort die nog steeds in volle glorie overeind staat. De poort ligt aan het begin van de weg naar Ostia en heet daarom ook wel de Porta Ostensiense. Aan de overkant is een station waar je met de trein naar Ostia Antica en naar de zee bij Ostia kunt gaan. Tot mijn verrassing kun je de poort in en op en is de toegang gratis. Opnieuw ben ik de enige bezoeker met twee personen om me heen die de hele dag niets anders doen dan de wacht houden, dus zich stierlijk vervelen. Om ze een beetje bezig te houden, vraag ik een van hen om een foto van mij te maken bovenop de poort met uitzicht op de piramide die daar vlakbij staat. Het gaat om de piramide (en ook het graf) van Cestius, een volkstribuun en pretor die in 12 v. Chr. stierf. Hij was in Egypte geweest en wilde graag net zo’n graf hebben als de farao’s, maar dan iets kleiner, namelijk 37 meter hoog. Het moest binnen 330 dagen klaar zijn, wilde zijn nakomelingen in aanmerking komen voor zijn erfenis. Van binnen is het van baksteen, maar de buitenkant is van wit marmer. Links van de piramide zijn tegen de gevel vier plaketten aangebracht ter herinnering aan de bevrijding van de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarnaast is een soort kattenopvangtehuis, tussen de resten van de oude stadsmuur. Op een bankje voor de toegangspoort zitten en staan een stuk of zes dames. Eentje doet de haren bij de ander, alsof ze in een geïmproviseerde kapsalon zit. Ze vinden het maar raar dat ik van dit tafereeltje een foto wil maken. Ik loop over de Via Marmorata en een brug naar de overkant van de Tiber, de wijk Trastevere in, van oorsprong een oude volkswijk. Het zijn de nauwe geplaveide straatjes die het er zo gezellig maken en de wijk een middeleeuwse sfeer geeft. De laatste jaren zijn er veel cafés en restaurants bijgekomen. Doel van mijn bezoek aan deze wijk is de Santa Maria in Trastevere. Deze basilica is vermoedelijk het eerste officiële christelijke godshuis dat in Rome is gebouwd en de eerste kerk die aan Maria is gewijd. Paus Calixtus I zou de kerk al in de 3e eeuw gesticht hebben op de plaats waar tijdens de nacht van de geboorte van Christus een oliebron ontsprong, de aankondiging van de komst van Christus als verlosser van de mensheid. De huidige vorm van de kerk dateert van de 12e eeuw. Binnen in de kerk zijn 22 grote zuilen te zien die uit de ruïnes van het klassieke Rome afkomstig zijn. In de 12e-eeuwse apsis is weer hetzelfde mozaïekmotief te zien als in zovele andere kerken: de twaalf schapen (= apostelen) met in het midden het Lam Gods. Daarboven zitten Christus en Maria op een troon in de hemel, geflankeerd door twee maal drie apostelen, maar ditmaal afgebeeld als personen. Tegen de gevel is een 12e-eeuws mozaïek te zien van Maria die Jezus voedt, met aan beide zijden vijf vrouwen met olielampjes in hun hand. Daarvan branden er acht die de maagdelijkheid symboliseren. De andere twee rechts zijn gedoofd en behoren waarschijnlijk toe aan weduwen. Achter in de kerk staat een beeld van Sint Franciscus met het kindje Jezus op zijn arm, met allemaal briefjes neergelegd op de armen, kleren, voeten en op het voetstuk. Opnieuw een zee aan briefjes met verzoeken en bedankjes. Dit is een cultuur die wij in Nederland, buiten enkele plaatsen in Limburg en Brabant, nauwelijks meer kennen. Op het Piazza Santa Maria in Trastevere staat een fontein met een achthoekig bassin. Het is werkelijk een sfeervol pleintje en je kunt je voorstellen dat het hier in de zomer tot laat in de avond gezellig toeven is. Vanaf dit pleintje heb ik nog even mijn moeder gebeld. Zij vertelde dat oom Willy, een broer van haar, overleden was, in twee jaar tijd de vierde in haar familie. Tegen zessen neem ik de bus terug naar huis, doe boodschappen en kook. Ik bel even met thuis en met Manlio voor wat afspraken volgende week en werk daarna verder aan mijn verslag. Morgen is voorlopig de laatste volle dag in Rome ben. Daarna ga ik weer verkassen. Nog maar een weekje en dan zit de reis er alweer op.
Vrijdag 15 april (ochtend en middag)
Omdat ik vandaag twee zware tassen moet meesjouwen, besluit ik om de auto te nemen naar de Piazza Porta Pia. Dat valt even tegen! Zelfs in de zijstraatjes is geen vrije parkeerplek meer te vinden. Uiteindelijk zie ik een auto vertrekken en duik ik onmiddellijk in de vrijgekomen plek. Het Gran Cafè blijkt verbouwd te worden, maar ernaast is een terrasje waar ik ga zitten. Iets na elven komt Michaël Zeeman, een bijzonder vriendelijke en voorkomende man. We bestellen een cappuccino en vertellen iets over onze achtergronden. Hij heeft vroeger filosofie en wiskunde gestudeerd; Nederlands en geschiedenis heeft hij pas later tot zijn werkterrein gerekend. Het verblijf in Rome bevalt hem uitstekend. Als freelance journalist kan hij zelf bepalen wat en wanneer hij iets schrijft. Zo blijft er voldoende tijd over om aan andere zaken te besteden, zoals een bezoek aan Sicilië onlangs (waar men zich helemaal geen Italiaan voelt!) of het volgen van lessen in een vierde klas gymnasium bij hem om de hoek. Het gesprek gaat al snel in de richting van de huidige Italiaanse politieke crisis. De UDC kan dan wel uit de coalitie stappen, daarmee hoeft het kabinet Berlusconi nog niet direct te vallen. Hij vindt dat vooral de politicus Fini zich de laatste jaren op een briljante manier heeft geprofileerd. In zijn alliantie van diverse rechtse partijen (AN) zitten ook extreem-rechtse, zelfs fascistische groeperingen, maar die heeft hij op een buitengewone slimme manier uit de AN gewerkt (zoals onlangs Alessandra Mussolini, een achternicht van de Duce), is zelf naar het midden opgeschoven, heeft zijn partij salonfähig gemaakt en is nu als minister van Buitenlandse Zaken bijna de gelijke van Berlusconi geworden. En wat nog belangrijker is: hij wordt alom gerespecteerd en als integer gezien, een niet geringe prestatie. Overigens zijn er op dit moment behoorlijk veel rechtse regeringen aan de macht in West-Europa (inclusief Groot-Brittannië!), niet omdat ze het antwoord hebben op een heleboel problemen, maar omdat links het laat afweten. De linkse beweging is te veel onderling verdeeld en versnipperd in te veel facties. Bovendien zijn ze te weinig aansprekend en vernieuwend. Er zijn weliswaar veel intellectuelen met goede ideeën, maar daar wordt te weinig naar geluisterd en van geprofiteerd. Zo is de vakbond in Italië bijvoorbeeld oppermachtig. Zij zijn stinkend rijk, beleggen veel in onroerend goed en beheren de pensioenen in Italië. Zij kunnen regeringen maken en breken, maar in wezen zijn ze niet echt veranderingsgezind. In Italië zijn zeer veel mensen lid van de vakbond; die kan in financieel-economisch opzicht van groot belang voor je toekomst zijn. Vervolgens gaat het gesprek in de richting van de geschiedenis van Italië en van Rome. De geschiedenis van het fascisme, met overal in de stad zichtbare herinneringen, is toch een heel andere dan de geschiedenis van het nationaal-socialisme in Duitsland. Kort samengevat zegt Zeeman hierover het volgende: de gesneuvelde soldaten in Nazi-Duitsland vielen voor Hitler en het nationaal-socialisme, de gesneuvelde soldaten in Italië vielen niet voor de fascistische ideologie, maar voor het vaderland. De vele overblijfselen uit de tijd van het fascisme zijn onderdeel van de Italiaanse geschiedenis. Soms weet men ook niet precies wat men er mee aan moet en zo kan het voorkomen dat Villa Torlonia aan de Via Nomentana, een villa waar Mussolini verbleef, met een hek afgesloten is van de buitenwereld en men weet er op dit moment geen bestemming aan te geven. Als we het hebben over het eigenlijke onderwerp, het geschiedenisonderwijs in het algemeen en de discussie over de canon in het bijzonder, valt op dat we het over het algemeen met elkaar eens zijn. Hij onderschrijft het belang van geschiedenis als een belangrijk vak, als onderdeel van het ‘mens-zijn’, als bindmiddel van een samenleving, maar ook als bindmiddel van een staat en natie als Italië (vanaf de tijd van het Risorgimento, na 1870). De traditie van het geschiedenisonderwijs is in Italië veel meer verankerd dan in Nederland, dat zijn verleden verwaarloosd heeft. Zelfs in het Italiaanse beroepsonderwijs speelt geschiedenis een belangrijke rol en dat zal voorlopig ook wel zo blijven, ondanks allerlei onderwijshervormingen. De jeugd in Italië is niet veel anders dan de jeugd in Nederland, hooguit wat het gebruik van drugs betreft. Misschien dat er over twee generaties een grotere desinteresse of een andere visie op het geschiedenisonderwijs zal zijn, op dit moment in ieder geval niet. Bovendien is het vooral voor allochtonen van belang om iets af te weten van het land waar ze verblijven, niet van het land waar ze vandaan komen. Een sleutel voor een succesvolle integratie als burger in de samenleving kan juist het geschiedenisonderwijs zijn. Begrijp je de geschiedenis van een land, dan vergroot dat de kans om te slagen in de samenleving. Daarom is het ook zo triest dat geschiedenis als vak in het VMBO nauwelijks wordt aangeboden, want ook, misschien wel juist, voor die leerlingen geldt het begrijpen en doorgronden van een cultuur als een succesfactor in de maatschappij. Hij vindt een aangepaste canon voor deze leerlingen, een canon voor de 20e en 21e eeuw, waarbij de Tweede Wereldoorlog niet mag ontbreken en waarbij ruimschoots gebruik kan worden gemaakt van audiovisuele middelen, van groot belang. Hij zal zeker verder gaan met het publiceren van artikelen over de canon en hij zal daarbij ook aandacht besteden aan het geschiedenisonderwijs in het VMBO. Hij vond overigens de poging van Jan Bank en Piet de Rooy tot het schrijven van een Nederlandse canon niet onverdienstelijk, hoewel hij tegelijkertijd toegeeft dat het voor het onderwijs wellicht op een andere manier moet worden uitgewerkt. Hij zal mij zijn pacificatie-lezing mailen die hij in het najaar gehouden heeft in Gent en ik geef hem wat artikelen en tijdschriften, inclusief de verantwoording van het PPON-onderzoek van Cito-collega Henk Wagenaar. Met een ferme handdruk nemen we na ruim een uur afscheid, beiden tevreden over de ontmoeting en we beloven elkaar op de hoogte te houden van ontwikkelingen op het gebied van de canondiscussie. Aansluitend besteed ik de rest van de middag op het Nederlands Instituut aan het schrijven van verslagen en het publiceren op mijn weblog. De komende dagen zal dit niet meer mogelijk zijn. Morgen zit ik in Tivoli bij René van Hees en de Villa van Hadrianus, zondag reis ik af richting Napels, Pompeii, Salerno en Eboli, maandag wil ik in Aliano zijn, de plaats waar Carlo Levi een jaar in ballingschap verbleef en waarover hij een boek schreef (‘Christus kwam niet verder dan Eboli’), ’s middags in Matera en ’s avonds in de plaats waar de zus van Manlio woont (Montescaglioso), dinsdag en woensdag ben ik te gast bij Antonio Brusa in Bari en donderdag reis ik van Bari terug naar Rome. Vrijdag wil ik doorrijden naar Manlio en Brigitte in Conegliano, zaterdag een dagje uitrusten en zondag ben ik weer thuis. Waarschijnlijk zal ik voorlopig even niet meer mijn bijdragen op de weblog kunnen publiceren. Maar niet getreurd, het komt er op, maar wat later. Salve!
0 Comments:
Een reactie posten
<< Home