dinsdag, april 12, 2005

maandag 4 april tot donderdag 7 april

Maandag 4 april 2005

Om 10.30 uur heb ik een afspraak op het KNIR, het Koninklijk Nederlands Instituut in Rome, dat het afgelopen jaar 100 jaar bestond. Met de auto ben ik er in 20 minuten, maar soms moet je de ogen maar dichthouden in het verkeer en gewoon doorrijden. David had mij uitgelegd hoe ik het beste kon rijden. Het instituut ligt vlak bij de Viale delle Belle Arti, aan de rand van Villa Borghese. De vlaggen van Italië en van Nederland hangen halfstok i.v.m. het overlijden van de paus. Buiten de poort moet ik eerst aanbellen en daarna moet ik me melden bij de receptie. Even later komt Marjan Schwegman, de directrice van het instituut, me persoonlijk welkom heten. In de hal vertel ik wat over mijn reis en mijn onderzoekje. Daarna gaan we de bibliotheek in en word ik geholpen door een uiterst vriendelijke en geduldige man (Angelo) die voor mij probeert de laptop aan te sluiten op Internet. Dat valt nog niet mee. Na ruim drie kwartier en na ook voor hem enkele onverklaarbare handelingen, zitten we plotseling op het net. Inmiddels heb ik al begrepen dat Bas Mesters van de NRC vandaag niet aanwezig zal zijn; hij heeft de handen vol aan het schrijven van artikelen over het heengaan en de opvolging van de paus. In zijn kamer heb ik een uitvoerig gesprek met Hans Cools, als historicus verbonden aan dit instituut. Eerst licht ik het doel van mijn reis en bezoek toe, daarna hebben we het over het geschiedenisonderwijs in Nederland en Italië. Het is niet te horen dat hij uit Vlaanderen komt. Hij heeft zich als Belg afgevraagd waarom Nederland gekozen heeft voor het huidige centrale examensysteem, maar ook waarom een instituut als het Cito geprivatiseerd is. Op beide vragen geef ik antwoord en trek vervolgens de lijn door naar Italië. Eigenlijk komt in dit gesprek alles naar voren waar ik het de afgelopen weken ook met anderen over gehad heb. Belangrijk in Italië op dit moment is de onderwijshervormingswet van minister mevr. Moratti. Die zou het regionaal onderwijs veel meer ruimte en vrijheid willen geven, de Italiaanse vorm van autonomie in het onderwijs. Zelfs een nieuwe regering van een andere politieke kleur dan de huidige zal deze regionale onderwijspolitiek niet zo maar meer kunnen terugdraaien, is de inschatting van Cools. Volgens hem heeft Italië in de jaren negentig nog wel geïnvesteerd in het onderwijs, maar daar is bij de huidige regering nog maar weinig van te merken. De onderwijsverschillen tussen de diverse regio’s zullen door deze nieuwe onderwijswet behoorlijk toenemen. Opmerkelijk is dat Italië internationaal heel goed scoort bij het basisonderwijs, maar vanaf de Scuola Media komt daar gigantisch de klad in. Waar dat precies in zit is onduidelijk. Hij bevestigt de belangrijke positie van geschiedenis in het Italiaanse onderwijs en in de samenleving als geheel. Er is ook brede overeenstemming over de inhoud er van, zij het dat de nadruk steeds meer komt te liggen op de tijd vanaf het Rissorgimento (vergelijkbaar met mijn voorstel voor een overzicht van de 20e en 21e eeuw in het VMBO). Een interessante verschuiving is de laatste tijd te zien in de geschiedschrijving over het fascisme en de Tweede Wereldoorlog. Hier is net als in Duitsland meer aandacht te bespeuren voor het eigen leed, dat door het verliezen van de oorlog onderbelicht is geraakt (bijvoorbeeld het lot van vele Italianen aan de kust van Kroatië). Over het algemeen trekken docenten zich weinig aan van veranderingen, behalve als ook de studieboeken inhoudelijk veranderen. Van te voren vinden er uitgebreide discussies plaats, maar als de boeken eenmaal verschenen zijn, volgen de docenten die zeer trouw. Dat kan er bijvoorbeeld toe leiden dat in Lombardije, de thuishaven van Giuseppe Bertagna, christenen en conservatief-liberalen hun stempel behoorlijk drukken op de inhoud van het geschiedenisonderwijs. En die ruimte zal steeds meer benut gaan worden als de regio’s meer autonomie krijgen. De landelijke verschillen worden daardoor nog groter en het komt de eenheid van Italië niet ten goede. Voor een instituut als het Cito betekent dit mijns inziens dat net als in Duitsland het Italiaanse onderwijs wellicht meer vanuit de regio’s benaderd moet worden. Of een nieuwe, centrum-linkse regering zal een instituut als Invalsi meer moeten stimuleren om te trachten het basis- en middelbaar onderwijs via bepaalde vormen van centraal geregelde toetsing meer in zijn greep te krijgen. Ik ken geen land waar alles zo verpolitiekt en zo vastgeroest zit als Italië. Eenmaal verworven zekerheden, dat geldt ook voor de rechtspositie van het onderwijspersoneel, kunnen niet zo maar aangepakt worden. Waarschijnlijk kunnen alleen investeringen in het onderwijs, zoals (financiële) prikkels, nog enige beweging en verandering brengen in het verstarde systeem, maar gezien de belabberde toestand waarin het land zich momenteel bevindt zit dat er voorlopig niet in. Italië denkt als lid van de EG aansluiting te hebben bij de rest van Europa, maar de schijn bedriegt. En dat is precies de reden waarom nu de wetsvoorstellen van onderwijsminister Moratti zijn aangenomen: aansluiting zoeken bij de rest! Maar het zal ook dezelfde reden blijken te zijn waarom het niet gaat lukken: de buitenkant van het systeem wordt met nieuwe wetten aangepakt, niet het onderwijs zelf.
Na het gesprek met Hans Cools werp ik me de rest van de middag op Internet en mijn verslaggeving. Het is een oase van rust in dit instituut. Heerlijk om er te kunnen werken!
Tegen zessen ben ik weer thuis, doe boodschappen en eet een hapje. Ondertussen zie ik op de TV dat centrum-links de verkiezingen glansrijk gewonnen heeft. Alleen Lombardije en Veneto (dat valt me toch wel een beetje van jullie tegen, Manlio en Brigitte) blijven in handen van centrum-rechts. Ik besluit uiteindelijk toch maar een poging te wagen langs de baar van de paus te gaan. Rond 19.30 uur kom ik bij het Vaticaan aan. In anderhalve dag tijd is er sprake van een complete metamorfose. Het hele plein is afgezet met dranghekken en politie. Het voetgangersverkeer wordt volledig gereguleerd. De laatste zijweg langs de oude vluchtroute van de paus naar de Engelenburcht is de enige toegangsweg naar het Sint Pietersplein. Er staan eindeloze rijen mensen te wachten en voetje voor voetje schuifelen we naar de hoofdstraat, de Via della Cociliazione. De sfeer is gelaten, niet uitbundig. Niemand klaagt, niemand duwt of trekt. Zelfs kleine kinderen en oude van dagen lopen lijdzaam in de stroom mee. Nederlanders kunnen hier, wat hun vaak onbehouwen gedragingen en uitingen betreft, nog veel van leren. Je moet er wel wat voor over hebben om hier in de rij te staan. Mensen die claustrofobisch kunnen dit maar beter niet doen; je kunt geen kant uit. Er worden gratis flesjes water uitgedeeld. Langs de brede weg staan overal grote beeldschermen met rechtstreekse verslagen óf vanuit de basiliek óf vanuit de Vaticaanse televisiestudio. Eindelijk, eindelijk na ruim vier uur in de rij te hebben gestaan, bestijg ik de trappen van de Sint Pieter. Het meest opmerkelijk is de serene sfeer en het ontbreken van hysterische taferelen. Als ik bij de baar aan kom, word ik onmiddellijk door enkele kerels, die niet zouden misstaan als uitsmijters bij een discotheek, gesommeerd door te lopen en ze schromen niet iedereen daarbij een duwtje te geven. Ik kan nog net twee foto’s maken en een verontwaardigd handgebaar maken (je moet toch iets overnemen van de Italianen). Voor deze 10-15 seconden sta je dus viereneenhalf uur in de rij. Maar dan heb je ook wat! Wie kan vertellen in Nederland dat hij erbij geweest is? En zelf vind ik dat ik door deze daad minstens een driedubbele aflaat verdiend heb. Gelukkig kan ik de laatste bus naar huis nog halen. Na enen val ik als een blok in slaap. Rome is killing me softly.

Dinsdag 5 april

Na tienen word ik pas wakker en het duurt nog zeker een uur voor ik écht weer helemaal bij ben, zo duf ben ik nog van gisteravond. Eerst neem ik mij voor wat mensen te gaan bellen in Rome, maar daar zie ik uiteindelijk toch van af. Misschien dat ze me morgen bij de Nederlandse ambassade daarmee kunnen helpen, omdat ik vrees dat alle afspraken herzien moeten worden na het overlijden van de paus. Vandaag laat ik Rome op me afkomen; ik zie wel waar ik uit kom. Ik neem naar de bus naar het Vaticaan, maar maak een omtrekkende beweging naar de Engelenburcht. De massa laat ik links liggen. In de krant lees ik dat ik nog geluk heb gehad gisteren: de gemiddelde wachttijd bedroeg acht tot negen uur, maar omdat ik rond Italiaanse etenstijd in de rij aansloot bleef mijn wachttijd tot de helft beperkt. Ondanks dit gegeven meen ik nog steeds recht te hebben op die drie aflaten. Vanaf de top van de Engelenburcht is de mensenmenigte goed waar te nemen. Ik was nog nooit hier binnen geweest, dus dit is een mooie aanleiding. Het ‘castello’ zelf valt me een beetje tegen. Je moet vooral je fantasie gebruiken. Zo blijft de Engelenburcht voor mij onlosmakelijk verbonden met het mausoleum van de Romeinse keizer Hadrianus (in 135 n. Chr.), met het beeld van de aartsengel Michaël die er sinds 590 bovenop staat (hoewel dit al het vijfde beeld schijnt te zijn), met de vluchtweg (de passetto) die paus Alexander VI rond 1500 liet aanleggen van het pauselijke verblijf in het Vaticaan naar de burcht, met de plaats waar in de opera Tosca van Verdi de vrouwelijke hoofdpersoon zelfmoord pleegt door van de muren van het kasteel in de Tiber te springen (maar dan zou ze volgens mijn inschatting het wereldrecord verspringen zeker met het vijfvoudige hebben moeten verbeteren) en ten slotte met de ontknoping van Dan Brown’s spannende boek ‘het Bernini-mysterie’ (minstens zo de moeite waard als de Da Vinci-code). Via de Engelenbrug loop ik naar de andere kant van de Tiber. Op de brug staan tien beelden van engelen die voorwerpen uit het passieverhaal vasthouden. De beelden zijn door de pas 17 jaar jonge Bernini in 1668 gemaakt. Door een woud van steegjes kom ik uiteindelijk terecht bij de plaats waar de enige Nederlandse paus begraven ligt die we ooit gehad hebben (althans tot nu): Adrianus VI uit Utrecht, Adriaan Florisz. Boeyens. Hij is slechts twee jaar paus geweest (1522-1523) en zijn graf bevindt zich in de Santa Maria dell’Anima, vlak achter de Piazza Navona. Je moet even aanbellen bij de Duitse kloosterorde om binnen te komen, maar dan kun je daarna gewoon de kerk inlopen om te zien dat rechts van het altaar het grafmonument is. Het ziet er merkwaardig uit. Liggend bovenaan is een beeld te zien van de paus die zijn met een hand zijn hoofd ondersteund houdt. Het lijkt wel alsof hij slaapt. Onderaan is een afbeelding te zien waarbij hij, als ik mij goed herinner uit een boek dat ik thuis heb, rijdend op een ezel en onder palmtakken feestelijk onthaald wordt in Rome als de nieuwe paus. Ze wisten niet hoe snel ze weer van hem af moesten komen, die Romeinen, omdat hij de kerk veel te puriteins en veel te streng wilde leiden, op een bijna protestantse manier. Het schijnt zelfs dat hij een moment overwogen heeft de plafondschilderingen van de Sixtijnse kapel te laten witten. Zouden daarom de verhalen de ronde doen dat hij vergiftigd zou zijn?! In ieder geval heeft zijn vroegtijdige dood deze daad gelukkig voorkomen. Tussen de Santa Maria dell’Anima en de Piazza Navona ligt een fameus ijswinkeltje. Daar trakteer ik mezelf op een taart van een citroenijsje van twee euro. Daarmee loop ik over het zonovergoten Piazza Navona naar het winkeltje waar ik al twee keer reproducties van het oude Rome gekocht heb die bij ons thuis in de gang hangen. Ook nu koop ik er weer twee en knoop een gesprekje met de oude eigenaar van de winkel aan. Als ik hem vertel dat ik al twee keer om de twee jaar bij hem wat gekocht heb, ziet hij de humor er wel van in en zegt me tot ziens tot over twee jaar. Via het Campo de’ Fiori, waar het beeld van de van ketterij beschuldigde en in 1600 op de brandstapel gestorven Giordano Bruno op me neerkijkt, loop ik door naar het aangrenzende plein waar het Palazzo Farnese staat. Oorspronkelijk werd het paleis gebouwd voor kardinaal Alessandro Farnese, die in 1534 paus Paulus III werd. Ook Michelangelo heeft aan dit gebouw gewerkt. Helaas kan het niet bezocht worden. De Franse ambassade die er nu in zit heeft de vlag trouwens niet halfstok hangen, maar in top. Vergissing of opzet?! Doorlopend kom ik uit bij Area Sacra dell’Argentina, waar nog resten van oude Romeinse tempels te zien zijn. Bij één modern huis aan dat plein zie ik dezelfde piramideachtige stenen in de gevel als bij het Palazzo dei Diamanti in Ferrara. Bij het grote, drukke Piazza Venezia steek ik over naar de trappen van de Santa Maria in Aracoeli. De kerk is bekend geworden door het beeldje il Santo Bambinello, een klein kindje Jezus, volgens de legende uit het hout van de Hof van Olijven in Jeruzalem gesneden. Het zijn vooral kinderen die dagelijks brieven schrijven en sturen naar het beeldje. Er zijn prachtige verhalen in omloop over dit beeldje. Mevrouw Mulder heeft ons daarmee tijdens de Italiaanse les kostelijk vermaakt. Het origineel staat er niet meer, dat is gestolen. We doen het vandaag maar met zijn broertje. Via de zij-ingang kom ik uit achter het monument van Victor Emanuel II. Sommigen noemen dit grote witte monument de suikertaart, de bruidstaart of zelfs de typemachine. Het overheerst in ieder geval het Romeinse stadsbeeld. In het monument is het gratis toegankelijke museum voor het Risorgimento (= de Italiaanse eenwording rond 1870) gehuisvest. Ik schiet in de lach als ik in een vitrine een tekening zie met een gewonde Garibaldi tijdens de slag om Aspromonte. Naast de tekening ligt zijn laars met een kogelgat erin. Het is een bekend verhaal, aangedikt om de heroïek rondom Garibaldi te versterken. Het doet me denken aan een persoon uit Lampedusa’s roman ‘Il Gattopardo’ (de Tijgerkat), Palavicino (letterlijk: dichtbij geschoten), die aan deze gebeurtenis refereert. Via de Capitolijnse musea aan het Piazza del Campidoglio loop ik naar het Forum Romanum. Op de plaats waar Julius Caesar is gecremeerd, werd later een tempel gebouwd. Op de altaarsteen, verstopt achter een muurtje, liggen nu bossen bloemen met de tekst ‘Ave Cesare’. Blijkbaar heeft hij nog steeds enkele stille aanbidders. Bij de boog van Titus moet ik altijd even stil staan om de afbeeldingen die aan de binnenkant bovenin zijn aangebracht wat langer te bekijken. Daarop is de buit te zien die Titus uit de tempel in Jeruzalem had meegenomen, waaronder de ‘menora’, de zevenarmige kandelaar. Harry Mulish heeft in zijn boek ‘de ontdekking van de Hemel’ dit gegeven gebruikt in zijn hoofdstuk over Rome. Ik laat de boog van Constantijn rechts liggen en loop links om het Colosseum heen naar de Piazza San Clemente, waar de best bewaarde van de oude basilieken van Rome te zien is, de San Clemente. De Heilige Clemens was de vierde paus in Rome, na Petrus, Linus en Anacletus. Hij was paus van 88-97 n. Chr. en heeft gewoond op de plaats waar nu de kerk staat, beter gezegd, waar de benedenkerk zich nu bevindt. Volgens de legende werd hij door de Romeinen verbannen naar de Krim, maar ook daar wist hij (te) veel mensen te bekeren tot het christendom. Daarop werd hij aan een anker (later het symbool van Clemens) vastgemaakt en in de Zwarte Zee gegooid. Bij laag tij kwam een door engelen gebouwde grafkamer boven water en werd de plek vanaf dat moment een pelgrimsoord. Ruim zeven honderd jaar later kregen twee andere heiligen, Methodius en Cyrilus, de resten van Clemens en het anker in hun bezit en brachten dat naar de San Clemente. De beide heiligen liggen hier trouwens ook begraven en met name Cyrilus is heel bekend. Naar hem is het cyrilische schrift genoemd dat vooral in Bulgarije gebruikt wordt. De Bulgaren vereren hem hier met vele plaketten aan de muur. In de bovenkerk is de twaalfde-eeuwse apsismozaïek te zien die sterke overeenkomsten vertoont met die van San Apollinare in Classe bij Ravena, zoals de twaalf schapen (= apostelen) die samen een halve cirkel vormen met in het midden Christus. In de benedenkerk, in de oude basiliek, zijn de graven van de heiligen. Ook zijn er enkele fresco’s te bewonderen die de tand des tijds nauwelijks doorstaan hebben. Op één van die fresco’s is een van de oudst bewaarde teksten in de oude Italiaanse volgare-taal te lezen. Daar staat in een combinatie van door elkaar heen lopende teksten verticaal en horizontaal geschreven: ‘Fili dele pute, traite, Cosmaris, Albertel, trai. Falitedereto colopalo, Carvoncelle’. Letterlijk betekent dit: ‘Hoerenzonen, trekt, Cosmari, Albertel, trekt. Help van achteren met een paal, Carvoncelle’. Tja, wat daar nou weer van te denken. Het verhaal erachter heeft te maken met Sisinnius (prefect van Rome) en zijn vrouw Theodora. De laatste had aan paus Clemens een gelofte van kuisheid afgelegd, zeer tegen de zin (ook toen al!) van haar man. Die wilde wraak nemen op de paus. Toen hij en enkele helpers de paus gevangen wilden nemen, grepen ze een zuil vast, waarvan ze dachten dat het Clemens was. Een andere interpretatie van de tekst is veel eenvoudiger. Het betreft gewoon een boer die tegen zijn ossen scheldt. Mooie verhalen. Nog ééntje dan. Een verdieping lager in de kerk kom je uit bij het Mithrasheiligdom, door de Romeinen in de eerste eeuw na Christus vereerd. Mithras was de Perzische zonnegod, die op 25 december, de dag van de zonnewende, in een grot uit een maagd werd geboren. Hij moest op latere leeftijd in opdracht van Apollo de kosmische stier doden. Bij dit gevecht namen ook een hond, slang en schorpioen deel. De slang dronk het bloed van de stier en daaruit ontstond het aardse leven en het hiernamaals. De schorpioen beet in de testikels van de stier om voortplanting te voorkomen en daaruit ontstond het boze. De hond ving de ziel op. De afbeelding op het Mithrasaltaar is een weergave van dit verhaal. Van dit soort verhalen smul ik. Ik neem bus en metro terug naar huis en ga bij een restaurantje in de buurt, waar ik ’s ochtends koffie heb gedronken, een hapje eten. Ze herkennen me nog en de wijn staat al snel op tafel. Daarna nog gebeld met Mieke, die jarig was, Elly en Manlio en Brigitte. De rest van de avond, na tien uur, breng ik op mijn kamertje achter de laptop door, verslagen schrijvend. Morgen moet ik er vroeg uit om naar de Nederlandse ambassade te gaan.

Woensdag 6 april

In alle vroegte opgestaan, ontbeten en met drie tassen in de auto gestapt op weg naar de ambassade. Het verkeer tijdens het spitsuur is een heksenketel. Niemand let meer op de verkeerslichten en rijdt kris kras door elkaar, omringd door vespa’s die als muggen om de auto heen zoemen. Soms doe ik maar mijn ogen dicht, geef een beetje gas en dan wordt er vanzelf wel plaats voor je gemaakt. Zo schuif ik bumper aan bumper op richting ambassade. Daar word ik uiterst vriendelijk ontvangen door Bas Ernst. Hij is eigenlijk de persoon die over kunst en cultuur gaat bij de ambassade, maar vandaag vervangt hij Daniëlle van Gorcum, de onderwijsspecialiste. Ik mag de auto eventjes op het binnenterrein parkeren omdat ik anders riskeer dat hij weggesleept wordt. Op de bovenverdieping leg ik het doel van mijn reis uit. Hij is erg geïnteresseerd in wat ik aan het doen ben en is ook bereidwillig mij te helpen bij het leggen van kontakten en het maken van afspraken. Daarna ga ik naar het nabij gelegen Nederlands Instituut om te mailen en aan wat teksten te werken. Zo ontvang ik de mail van Bas Ernst met een bevestiging van twee belangrijke afspraken, allebei voor a.s. maandag. De eerste afspraak is om 10.00 uur ’s ochtends op het Ministerie van Onderwijs met de derde persoon in belangrijkheid, direttore generale per gli ordinamenti, de heer Silvio Criscuoli. Een hoge pief dus! De andere afspraak vindt dezelfde dag om 15.00 uur plaats in Frascati bij Invalsi, het Italiaanse Cito. Zowel de directeur, de heer Salvatore Cinà, als professor Bolleta zijn bereid me daar te ontvangen. De persoon van wie ik de naam had doorgekregen via Giuseppe Bertagna, Giovanni Tranito, is waarschijnlijk om politieke redenen terzijde geschoven. Het maakt mij verder weinig uit; deze afspraken staan in ieder geval. Nu de rest nog. Omdat het weer heerlijk weer is, besluit ik het aangrenzende park van de Villa Borghese in te lopen. Daar ga ik tussen vele andere mensen op het gras bij een vijvertje liggen om een tukje te doen. Als ik mijn wandeling vervolg, kom ik uit bij het panorama dat uitzicht biedt over het Piazza del Popolo. Ik loop door naar de Spaanse trappen aan de Piazza di Spagna waar het zwart ziet van de mensen die loom op de trappen zitten. Uiteindelijk kom ik onderlangs lopend uit bij het Piazza del Popolo en besluit ik de Santa Maria del Popolo in te gaan. Deze kerk is gebouwd op een plaats waar zich volgens de overlevering de as van Nero zich bevond voordat een paus rond het jaar 1100 opdracht gaf dit in de Tiber te gooien. Daarna heeft hij, zo gaat het verhaal, op kosten van de Romeinse bevolking op deze plek een kerk laten bouwen, vandaar de naam Santa Maria del Popolo. Als ik me niet vergis speelt zich in deze kerk een spannende, nachtelijke scène af in Dan Brown’s Bernini-mysterie. En ja hoor, hier kom ik in de hoeken van de Chigi-kapel beelden van Bernini tegen met aan weerszijden van de kapel twee tegenover elkaar staande piramideachtige marmeren platen. Achterin in de kerk zijn trouwens nog een paar prachtige schilderijen te bewonderen van de clair-obscur schilder Caravaggio: de kruisiging van Petrus (ondersteboven dus) en de bekering van Paulus. Met de auto stort ik me weer in het Romeinse verkeersavontuur. Thuis eet ik wat, doe boodschappen, schrijf en lees wat en kijk een beetje naar de Italiaanse televisie.

Donderdag 7 april

Lekker uitgeslapen vandaag tot na tienen. Dat heb je in deze stad gewoon af en toe nodig en dan moet je er ook toegeven. De pausgekte wordt steeds erger en daarom rest mij eigenlijk niets anders dan het ontvluchten van het stadscentrum. Ik trek mijn wandelschoenen aan en besluit vandaag de Via Appia Antica te gaan lopen, niet te verwarren met de moderne Via Appia Nuova die hier vrijwel parallel aan loopt. Na het middaguur zet ik mijn eerste stappen op het lijnrechte, smalle pad met de grote, ongelijke en ongelijkmatige stenen. Dit pad zou als pelgrimsroute niet misstaan. De catacomben en andere bezienswaardigheden sla ik vooralsnog over. Ze zijn tussen de middag toch dicht en bovendien wil ik graag de benen strekken en kilometers maken. Het is heerlijk wandelweer, rond de 20 graden, geen wind en bijna geen mensen op de weg. De Via Appia was de oudste en belangrijkste weg van het Romeinse rijk en had over het algemeen een breedte van 4.10 meter, wat overeenkomt met veertien Romeinse voeten. Hij is aangelegd door de censor Appius Claudius Caecus in ongeveer 312 v. Chr.. Oorspronkelijk was het de bedoeling de weg alleen naar Napels te laten lopen. Later is de weg helemaal doorgetrokken naar Brindisi, in de hak van Italië. De weg kent een bewogen geschiedenis. Romeinse legioenen hebben er overheen gelopen evenals handelaren, apostelen, slaven, gevangenen, noem maar op. In 71 v. Chr. werden hier aan allebei de kanten van de weg, na de neergeslagen opstand van de gladiator Spartacus, als straf zesduizend gevangen genomen slaven gekruisigd. De slotscène van de film Spartacus, waar Kirk Douglas de hoofdrol in speelde en die gehangen aan het kruis nog net voor zijn dood zijn kleinkind ziet, staat me nog helder voor de geest. Hier is historie geschreven en ik loop bijna moederziel alleen over deze prachtige weg. Had Elly hier maar bij kunnen zijn. We gaan deze wandeling beslist nog een keer samen maken! Je kunt hem zelfs ook fietsen (later zag ik dat het bij de catacomben van Sint Sebastiaan mogelijk was om fietsen te huren voor 3 euro per stuk). Links en rechts van de weg zijn overal resten van Romeinse graven te zien. Je hebt hier helemaal niet het gevoel dicht bij een grote stad te zijn. Tegelijkertijd loop je wel onafgebroken tussen de overblijfselen van het Romeinse rijk. Ik loop een kleine twee uur tot de kasseien overgaan in een smal asfaltweggetje, voor mij het sein om terug te gaan. In totaal heb ik heen en terug zo’n 20 kilometer gelopen over de Via Appia. Op de terugweg loop ik een stuk verder door naar beneden langs het graf van Celia Metella. Zij was de vrouw van Crassus, generaal van Caesar in Gallië. Dit mausoleum, een rond gebouw en elf meter hoog, is gebouwd rond 50 v. Chr.. Iets verderop liggen links de basiliek en de catacomben van Sint Sebastiaan. Het is ondertussen laat in de middag en niet druk en dus besluit ik het te bezoeken. Het groepje bestaat uit tien welwillende mensen en de gids vertelt volop. Sint Sebastiaan was een heilige en afkomstig uit Narbonne in Zuid-Frankrijk. Hij verkondigde het christelijke geloof, zeer tegen de zin van keizer Diocletianus (284-305), die hem vervolgens met pijlen liet doorboren. Dat overleefde hij, maar wat veel ‘stommer’ was, hij ging terug naar de keizer om hem duidelijk te maken dat deze moest stoppen met de vervolgingen van de christenen. Daarna werd hij op de Palatijnse heuvel doodgeknuppeld en in een groot riool gegooid. Een zekere Lucina kon het lijk bemachtigen en zorgde voor een eervolle begrafenis aan de Via Appia, ad catacumbus, dat letterlijk betekent: bij de glooiingen. Deze catacombe is de enige die altijd bekend gebleven is, terwijl de rest min of meer in de vergetelheid is geraakt. De gids vertelt verder dat het een fabeltje is dat de catacomben zijn ontstaan als schuilplaatsen ten tijde van de christenvervolgingen. Iedereen wist gewoon dat dit een begraafplaats voor zowel de Romeinse gelovigen als de christenen was. Begraafplaatsen waren gewoon door de Romeinse wet beschermd en mochten niet geschonden worden. Na ongeveer 450 werd er niemand meer begraven in de catacomben, waardor ze langzaam in verval en in vergetelheid raakten. Bij graafwerkzaamheden aan een weg kwamen in 1578 plotseling de catacomben weer te voorschijn. Het lichaam van de heilige Sint Sebastiaan is in de loop van de tijd uit zijn grafsteen in het onderaardse kapelletje gehaald (waar overigens nog een originele buste van Sebastiaan, gemaakt door Bernini staat!) en overgebracht naar de kerk die bovenop de catacomben en de Romeinse begraafplaats gebouwd is. De gids legt uit dat de Romeinse grafkelders pas honderd jaar geleden tevoorschijn zijn gekomen toen bleek dat bij werkzaamheden voor de fundering van de kerk alles wat daaronder zat opgevuld is geweest met grond. Dat verklaart waarom alles er nog puntgaaf uitziet, tot en met frescoschilderingen en zelfs de as in de urnen aan toe! Vóórdat de kerk naar Sint Sebastiaan werd genoemd, was het eerder vernoemd naar de apostelen Petrus en Paulus die hier gezamenlijk begraven hebben gelegen. Ze zouden in hetzelfde graf gelegen hebben totdat paus Silvester I (314-335) ervoor zorgde dat beide apostelen een betere begraafplaats kregen: voor Petrus in de oude Sint-Pieter en voor Paulus in de Sint-Paulus-buiten-de-muren. Volgens één bron heeft deze paus de beenderen gesorteerd op grootte, volgens een andere bron gewoon door ze in twee even grote hoopjes te verdelen … . Uiteindelijk komen we in de bovenkerk uit. Daar is aan de ene kant van de kerk de sarcofaag van Sint Sebastiaan te zien en er tegenover een deel van de zuil waaraan Sebastiaan vastgebonden gezeten zou hebben toen hij met pijlen doorboord werd. Ook een van de bewuste pijlpunten wordt daar bewaard. Bovendien is er tussen beide voorwerpen in een voetafdruk in marmer te zien die aan Christus wordt toegeschreven toen hij Petrus op de Via Appia tegemoet kwam (waarover verderop meer). Er zit ook een Nederlands tintje aan deze kerk. Het houtsnijwerk in het plafond, o.a,. van Sint Sebastiaan, is gemaakt door Vasanzio, oftewel de Nederlander Jan van Santen (1550-1621). Na deze kerk loop ik via de catacomben van Calistus, die ik met Elly en Femke twee jaar geleden bezocht heb, door naar het kerkje Santa Maria in Palmis, beter bekend als Domine Quo Vadis (Heer, waar gaat u naar toe?’). Dit kerkje is volgens de overlevering gebouwd op de plek waar Christus en Petrus elkaar ontmoet hebben. Toen Petrus uit Rome wilde vluchten en hij Christus tegen kwam, kreeg hij van hem als antwoord op zijn vraag waar hij naar toe ging dat hij onderweg was naar Rome om zich opnieuw te laten kruisigen. Toen begreep de schuldbewuste Petrus dat hij weer terug moest naar Rome om het martelaarschap te ondergaan. Keizer Nero veroordeelde hem vervolgens tot de kruisdood, waarbij zijn kruis ondersteboven werd neergezet. Een schilderij daarvan hangt linksachter in de kerk. (Paulus werd overigens niet gekruisigd. Hij had het Romeinse burgerecht en daarmee het recht onthoofd te worden. Het is maar waar je voor kiest.) Er wordt vooraan in het kerkje een voetafdruk van Christus in marmer bewaard, waarvan het origineel zich in de Sint Sebastiaankerk bevindt. Waarschijnlijk gaat het hier om middeleeuwse ‘beeldhouwwerken’. In het kerkje is ook nog een herdenkingssteen van de Nobelprijswinnaar Henryk Sienkiewicz (1846-1916) te zien die de historische roman Quo vadis (1896) geschreven heeft en die in 1951 verfilmd werd. Na een dag Romeins-christelijke geschiedenis wordt het tijd om de bus te nemen, terug naar het centrum. Het eindpunt is het plein van Sint Jan van Latheranen en nu ik toch hier ben, neem ik dat ook nog maar even mee. Op dit plein staat de hoogste obelisk ter wereld: 31 meter (zonder sokkel). Hij is opgedragen aan farao Thoetmozes III of IV. Hij is afkomstig uit Thebe en al 3500 jaar oud. Onder keizer Constantius II is deze obelisk met een speciaal daarvoor gebouwd schip in 357 naar Rome vervoerd en opgesteld op het Circus Maximus. Later is hij hier naar toe overgebracht en hebben ze er een kruis bovenop gezet. Ik begin mijn rondgang bij het Baptisterium, ook wel San Giovanni in Fonte geheten. Het werd gebouwd in de tijd van keizer Constantijn de Grote, begin vierde eeuw, en is daarmee de oudste koopkapel van Rome. Acht rode zuilen zijn in een achthoekige vorm gebouwd rondom een iets dieper liggend doopbekken, net een badkuip. De achthoekige vorm is ook te herkennen bij het baptisterium in bijvoorbeeld Florence en in Pisa. Het heeft een symbolische betekenis: Christus verrees op de achtste dag, de eerste dag van de nieuwe week. Hiermee wordt verwezen naar het nieuwe leven dat begint bij de doop van de dopeling. De koepel verbeeldt de kosmos, de allesomvattende God. De Sint-Jan van Latheranen zelf is opgedragen aan twee Jannen: Johannes de Doper en Johannes de Evangelist. Deze kerk is nog steeds officieel de kathedraal van Rome en de titelkerk van de paus, die bisschop is van Rome. Er liggen 23 pausen begraven. Hier werden o.a. tijdens het Vierde Lateraanse Concilie in 1215 de katharen veroordeeld. Op de voorgevel staat in het Latijn ‘moeder en hoofd van alle kerken in de stad en in de wereld’. De naam Lateranen komt van de familie Plautius Lateranus. Hij was de eigenaar van het grondgebied waarop de kerk werd gebouwd. Omdat hij, samen met Seneca, betrokken was bij een samenzwering tegen Nero en christenen bij hem had laten onderduiken, werd hem zijn bezit afgenomen (maar zijn naam leeft nog voort). Vroeger stond er in de voorhal een soort pauselijke toiletstoel. Nadat paus Johanna tijdens een processie een kind kreeg en daarmee door de mand viel (beiden zijn overigens direct daarna vermoord), was het de gewoonte de nieuw gekozen paus op deze stoel te laten zitten waarna de jongst aanwezige geestelijke ‘door aanraking’ diende na te gaan of de paus wel degelijk een man was. Na deze proef kwam de mededeling ‘testiculos habet et bene pendentes’ (hij heeft testikels en ze hangen goed). Rond 1500 is deze gewoonte afgeschaft, waarschijnlijk omdat de hoeveelheid minnaressen en kinderen die de pausen toen hadden voldoende zekerheid boden over het geslacht. Centraal in de kerk staat het pauselijke altaar waaraan alleen de paus of zijn gevolmachtigde de mis mag opdragen. In de twee zilveren borstbeelden achter het hekwerk op het baldakijn van dit altaar worden de hoofden van Petrus en Paulus bewaard. Hoe zich dit verhoudt met het verhaal van hun stoffelijke resten bij de kerk van Sint Sebastiaan en het overbrengen daarvan naar de Sint Pieter en Sint Paulus-buiten-de-muren, weet ik ook niet, maar ik heb zo mijn twijfels over het een en ander. Op naar het schuin tegenover de kerk gelegen gebouw waar de Scala Sancta zich bevindt. Het gebouw heet zo, maar de centrale trap in het gebouw ook. Dat zou de echte Heilige Trap zijn waarop Christus zou hebben gelopen, afkomstig uit het paleis van Pontius Pilatus in Jeruzalem. In 326 werd ook deze trap overgebracht naar Rome. Het zijn 28 marmeren treden die in 1723 bekleed werden met notenhout. Op sommige plekken zou nog bloed van Christus te zien zijn toen hij de trap beklom op de vrijdag van zijn dood. Deze trap mag alleen op de knieën naar boven beklommen worden. Ik kies ervoor om de trap er rechts van gewoon naar boven te lopen. Een halve aflaat dit keer slechts. Bovenaan de trappen is achter een traliewerk het Sancta Sanctorum te zien, het Heiligdom der Heiligdommen. Het is nooit toegankelijk, behalve voor de hoofdrolspelers in Mulish’ boek ‘De ontdekking van de Hemel’. De kapel is gewijd aan de Heilige Laurentius. Op het altaar staat een reliekschrijn met daarachter een afbeelding van Christus, door de Heilige Lucas met hulp van engelen geschilderd (een ‘acheropita’, een ‘niet door mensenhanden geschilderd werk’). Er worden heel veel relikwieën bewaard, van het schoeisel van Jezus tot en met de moedermelk van Maria. Een heel bijzonder relikwie is in 1527 gestolen: de voorhuid van Christus (je vraagt je af wat iemand daarmee moet), het enige overgebleven deel van zijn lichaam. Na dit hoogst merkwaardige gebouw besluit ik mijn rondgang voor gezien te houden. Bij thuiskomst besluit ik maar weer in het restaurantje te gaan eten. Daar kom ik dezelfde mensen tegen die ik al een paar keer eerder heb gezien. We raken aan de praat en het blijkt een Amerikaans echtpaar te zijn, van Indische afkomst, beiden uit Nederland afkomstig, maar in de jaren zestig naar de VS zijn geëmigreerd. Ze vieren hun 29e trouwdag deze week in Rome. Hij heet Jeffery Kerkhoff en ze wonen in de buurt van Los Angelos. Wat je soms toch voor merkwaardige ontmoetingen kunt hebben.