donderdag, april 21, 2005

van vrijdagnamiddag 15 april tot donderdagmiddag 21 april

Vrijdag 15 april (namiddag en avond)

Na vijven ben ik klaar met het op de weblog zetten van mijn laatste teksten en foto’s. Ik neem afscheid van Hans Cools op het Nederlands Instituut, maak een foto van hem en beloof de groeten te doen aan Peter Rietbergen. Wat zal ik doen: naar huis gaan en koken of proberen de plaats te vinden die Michaël Zeeman me heeft doorgegeven waar de opnames hebben plaatsgevonden van de film ‘Una gironata particolara’ met Sophia Loren en Marcello Mastroiani. Ik besluit het laatste te doen; zo vaak ben ik hier ook weer niet. En opnieuw duik ik met de auto het Romeinse verkeer in en opnieuw vergis ik me iedere keer in het éénrichtingverkeer, zodat ik er uiteindelijk maar voor kies om met de auto naar de Porta Pia te rijden en vervolgens de Via Nomentana op, een van de hoofdwegen van Rome. Gelukkig valt het allemaal mee met de drukte en kan ik de auto vlakbij het Mausoleum van Costanza en Sint-Agnes-buiten-de-muren parkeren. Op goed geluk loop ik naar een wijk toe en vraag net zo lang door totdat iemand mij weet te zeggen waar het is: aan de andere kant van de Via Nomentana. Eindelijk vind ik na ruim een uur wandelen wat ik zoek: aan de Viale ventuno Aprile nummer 29 is het toegangshek tot de binnenplaats waar de filmopnames ruim dertig jaar geleden (of is het alweer bijna veertig?!) plaatsgevonden hebben. Maar helaas zit het hek dicht. Ik zie wel dat er aan de achterkant ook een toegang is en dus loop ik een blokje om en jawel hoor, daar is het hek open. Ik herken de gebouwen en het binnenplein onmiddellijk en voel me bijna de film binnenwandelen. Terug richting auto wil ik nog snel een blik werpen in het Mausoleum van Costanza, maar dat is al gesloten. De kerk Sint-Agnes-buiten-de-Muren is nog wel open. Via een lange gang en trap naar beneden bereik ik de kerk waar ik ruim twee jaar geleden ook al eens geweest ben met het reisgezelschap van onze eerste Italiaanse reis en waar we toen de catacomben bezocht hebben. Die zijn nu gesloten, maar ik kan nog wel in de crypte achter het altaar naar beneden om het kistje te zien met de stoffelijke resten van de Heilige Agnes. Maar dan wel zonder hoofd, want dat heb ik zien liggen in de kapel van de Sint-Agneskerk aan de Piazza Navona (het ‘muizenkopje’). Er wordt wat afgerommeld met die heiligen. Vervolgens loop ik over de Via Nomentana langs het nonnenklooster waar wij enkele jaren geleden overnacht hebben. Langs een steil straatje naar beneden kom ik uit bij een tabaccheria waar ik toen een kam met leren hoesje kocht bij een oud echtpaar. Er zijn nu nieuwe eigenaren. Ik moet lachen als ik in de vitrine de kammetjes met hoesjes zie staan. De nieuwe eigenaar kijkt mij bevreemd aan. Dan leg ik uit wat er aan de hand is, pak mijn half verpulverderde leren kammetjeshoes uit mijn broekzak en leg uit wat voor antiek souvenir dit eigenlijk is. Hij moet er ook om lachen en voor één euro koop ik een nieuwe kam met hoes, maak een foto van de zaak en zeg hem tot ziens tot over twee jaar. Nu naar de laatste herinnering in deze buurt: de Taverna Abruzzese aan de Via Migiurtinia 35. Ik loop de taverna in en kijk op de rug van een ober. Als hij zich omdraait kijkt hij me even een paar seconden aan, lacht dan breed, slaat de armen om me heen en geeft me twee dikke zoenen. Roberto heeft me herkend! Hij vraagt naar de rest van het gezelschap, waarop ik hem duidelijk maak dat ik Ton en Margriet Luyten, Harjet Robben, Harry Jansen en Marie-Christine Sprengers maar thuis gelaten heb omdat ze te veel lawaai maakten en steeds luider in de loop van de avond ‘Volare’ zongen. Ik bedank hem nog voor de kerstkaart van twee jaar geleden. Op de plek waar wij toen zaten en liederlijk de avond doorbrachten, krijg ik nu een tafeltje toegewezen. Van het huis krijg ik lekkere mosseltjes aangeboden en zelf neem ik nog een antipasta, een pizza, wat water en een halve liter wijn. Ik pak de mobiele telefoon en bel naar huis. Tegen Elly zeg dat ik een verrassing voor haar heb en prompt overhandig ik de telefoon aan Roberto die in gebroken Duits de groeten doet. Een echte hartenbreker, deze ober, en namens alle dames van het voormalige reisgezelschap vertel ik hem wat voor een onuitwisbare indruk hij op toen hen heeft gemaakt. Als ik wegga nemen we nog een foto samen, ik krijg weer twee dikke zoenen en een beetje aangeschoten zoek ik de avondlucht op. Nu nog met de auto dwars door Rome! Ik zet de CD met liedjes van Francesco Guccini hard aan, zodat ik al het getoeter om me heen niet hoor, en con duo vingers in il mio naso scheur ik binnen een half uur met één hand aan het stuur en hard meezingend dwars door de stad. Moet ik vaker doen, want dit schiet op. Als ik thuis kom spreek ik voor mijn gevoel vloeiend Italiaans met David, maar of hij mij begrijpt weet ik niet. Het is toch maar het beste om naar bed te gaan en morgen aan een nieuwe dag te beginnen. Salute!

Zaterdag 16 april

Het komt met bakken uit de hemel als ik vanmorgen opsta. Jammer, net nu ik vandaag de Villa Hadrianus wil bezoeken. Ik doe wat boodschappen, drink koffie in mijn restaurantje en koop daar gelijk een presentje voor de familie Van Hees vanmiddag: amandelkoekjes uit de Abruzzen. Het kost me ruim een uur om bij de Villa Hadranus te komen en net op dat moment stopt het met regenen. Mijn beschermengeltje laat me niet in de steek! Het gebouwencomplex is tussen 118 en 138 na Chr. in opdracht van keizer Hadrianus als een privé-zomerresidentie gebouwd en besloeg een oppervlakte van 300 ha.. Jammer genoeg is er niet veel van bewaard gebleven: het marmer, het mozaïek en de beelden zijn door de ‘barbaren’ (de Longobarden) tussen de 6e en 8e eeuw geplunderd of in musea ondergebracht, zoals die van het Vaticaan. Geen enkel gebouw is heel gebleven. Ik heb alle tijd om in rust het hele complex door te lopen. Het Griekse en Maritieme theater, twee thermen, de kamers, de Griekse en Latijnse bibliotheek, het stadion en natuurlijk niet te vergeten: het Dal van Canopus, met het beroemde bassin van 119 meter lang, omringd door enkele zuilen en beelden. Ik kan het niet nalaten een hand op een bil te leggen van een van de replica’s van Griekse godenbeelden en er een foto van te maken. Ze zien er zo echt en uitdagend uit! In het museumpje waar een maquette van het terrein te zien is, staat een Franse leraar zijn leerlingen uitleg te geven over het complex. Wat mij opvalt, is dat de leerlingen aandachtig luisteren en ook antwoord weten op een vraag als bijvoorbeeld waarom er twee bibliotheken aanwezig waren in het complex. Ik ben de afgelopen weken trouwens zo wie zo verrast over het grote aantal Franse leerlingen, naast natuurlijk de vele Italiaanse leerlingen. Rond drie uur kom ik aan bij René van Hees in het aangrenzende plaatsje Villa Hadrianus. Ik ken hem via de advertentie die hij jaarlijks op de site van Dante Nijmegen zet waarbij de helft van zijn woonhuis gehuurd kan worden. Zijn vrouw ligt helaas met een migraineaanval op bed, maar zijn dochter Elena van 22 heb ik wel gezien. Zij studeert kunstgeschiedenis aan de universiteit en schildert zelf niet onverdienstelijk. Onder het huis blijkt in de kelder trouwens een atelier te zijn, waar enkele uren later enkele schilders bezig zijn. Waarschijnlijk gaat René deze kelder binnenkort zelf gebruiken om er een bierbrouwerij’tje te beginnen. Sinds kort werkt hij namelijk nog maar voor slechts drie dagen in de week bij het Nederlands episcopale centrum. Vanwege de slechte financiële situatie als gevolg van teruglopende inkomsten moet er bezuinigd worden. Verder is hij nog betrokken als vrijwilliger bij de Kerk van de Friezen. We eten ondertussen van de lekkere koekjes en de cake, drinken een kopje (Hollandse!) koffie en daarna zelfgemaakte witte wijn. Bijna drie uur heb ik er doorgebracht en we hebben een heel gesprek gevoerd over de sociaal-economische en politieke situatie van Italië op dit moment, mijn reiservaringen tot nu toe, het onderwijs in Italië en de positie van het geschiedenisonderwijs daarin. Het was een genoeglijk onderhoud dat binnenkort wordt voortgezet: a.s. woensdag vertrekt het gezin voor een week naar familie in Nijmegen en op dinsdag 26 april zijn ze vanaf 15.00 uur ’s middags te gast bij ons in Druten. Wat komt mijn vertrek alweer akelig dichtbij! Ter afsluiting speculeren we nog over wie de nieuwe paus wordt. Hij denkt Ratzinger, ik denk een voor iedereen acceptabele persoon uit de Derde Wereld, bijvoorbeeld de kardinaal uit Bombay, wiens naam ik niet meer weet. Maar misschien wordt het wel Daneels uit België. Wie weet, Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Misschien dat ik het donderdag of vrijdag nog net kan meemaken, want maandag 18 april begint het conclaaf. Na zessen rijd ik nog even naar de plaats Tivoli, boven op de heuvel. De Villa D’Este hoef ik niet meer te zien, daar ben ik in het verleden al vier keer geweest, maar misschien is het leuk de watervallen nog een keer te zien. Die heb ik voor het laatst ruim 30 jaar geleden gezien. Maar als ik Tivoli binnen rijd, is net de passegiata begonnen en is er bijna geen doorkomen meer aan. Dus rijd ik maar weer terug naar Rome. Daar bel ik Antonio Brusa en maak een afspraak voor a.s. dinsdag in Bari. Ook heb ik Elly en de kinderen nog even gebeld. Ze zaten net met Paul en Ria heerlijke vissoep te eten. Het water liep me in de mond toen ik het hoorde. De rest van de avond besteed ik aan eenvoudig hapje eten, verslag schrijven en voorbereidingen treffen voor het vertrek van de komende dagen. Ben benieuwd waar ik morgenavond slaap!

Zondag 17 april

Rond tien uur zit ik in de auto, gepakt en gezakt voor een tochtje van vijf dagen door vooral Zuid-Italië. Het is zwaar bewolkt en regelmatig komt het met bakken uit de hemel. Als ik halverwege Rome-Napels het plaatsje Cassino op de borden zie, moet ik onmiddellijk denken aan de abdij Monte Cassino, door Sint Benedictus gesticht. En ja hoor, de abdij ligt hier! Ik geef een ruk aan het stuur voor een niet gepland bezoek aan de beroemde abdij. Het ligt strategisch op een perfect punt, één van de redenen waarom hier Duitsers gelegerd waren in 1943-1944. Toen de Amerikanen, oprukkend vanuit Sicilië onder leiding van generaal Clark, hier aankwamen, hebben ze zich niet goed laten informeren. Vervolgens hebben ze de beroemde abdij bijna met de grond gelijk gemaakt met zware bombardementen, volkomen onnodig blijkt achteraf: strategisch was het toen niet meer belangrijk en de overgave van de Duitsers zou met veel minder bombardementen ook hebben plaatsgevonden. Bovendien wisten de Amerikanen blijkbaar ook niet met wat voor historisch monument ze hier van doen hadden, een vaker voorkomend euvel (over historisch besef gesproken). In het boek van Curzio Malaparte, La Pelle (= de huid) wordt dit beleg beeldend, maar ook met het nodige sarcasme beschreven. De abdij is weer helemaal in oude glorie herbouwd op de fundamenten van de resten van het oude klooster. Het ziet er voor mijn gevoel allemaal te nieuw en te netjes uit. Toch krijg je wel een goede indruk van de omvang van het oorspronkelijke klooster. Het was de plattegrond van deze abdij die ik vroeger tijdens de lessen over de Middeleeuwen altijd als voorbeeld nam om aan de leerlingen duidelijk te maken hoe kloosters in elkaar zaten en functioneerden. En nu sta ik er zelf! Natuurlijk koop ik weer veel te veel aan boeken en prenten, maar ja, dat is nou eenmaal mijn ziekte. Het museum blijkt vooral gevuld te zijn met voorwerpen van buiten het klooster. Jammer, maar niet onbegrijpelijk. Vlakbij is een groot kerkhof met oorlogsgraven van Poolse soldaten die, naar ik aanneem, bij het beleg van het klooster om het leven zijn gekomen. De Amerikanen stuurden als eerste tijdens het beleg Marokkanen tegen de heuvel naar boven, maar daar heb ik geen graven van gezien. Na twee uur zie ik voor het eerst de Vesuvius opdoemen en een uurtje later loop ik rond door Pompei. De laatste keer was 30 jaar geleden met Peter Haanen, een jeugdvriend van mij van de middelbare school. Dit keer neem ik niet de hoofdingang, maar de ingang vanuit het huidige dorp Pompei, dat geeft direct toegang tot het amfitheater. Als ik dit theater van binnen zie, moet ik denken aan opnames van de groep Pink Floyd die hier jaren geleden gemaakt zijn. Het is enigszins onwezenlijk om door deze plaats te lopen; de straten zijn ongeschonden, de muren van de meeste huizen staan nog overeind en er woont niemand meer. In sommige gebouwen zie je vitrines met gipsafgietsels van mensen in een afwerende of krampachtige houding. Ik heb ooit gelezen dat ze bij opgravingen altijd heel alert waren als ze een holte in de grond tegenkwamen. Die lieten ze dan vollopen met vloeibaar gips. Als daar een mens of dier had gelegen, zou het gips automatisch de vorm aannemen van het organisme dat het vroeger, voor de staat van ontbinding, ooit geweest was. Bij het forum in het centrum van Pompei is een overdekte loods vol met amforen en gipsen afgietsels. Daartussen staat ook de bekende hond met zijn laatste stuiptrekkingen, griezelig echt. Omdat het nu met mijn digitale camera er niet meer zoveel toe doet hoeveel foto’s ik maak, fotograaf ik bijna alles wat los en vast zit: mozaïek, fresco’s, straatjes, pleintjes, een bakkerij, thermen, winkeltjes, noem maar op. Ondertussen is het gaan onweren en regenen. Ik ren van het ene gebouwtje naar het andere gebouwtje, zonder enige notie waar ik me bevind. Toch krijg ik wel een goede indruk van het plaatsje en wat er allemaal te zien is. Sommige gebouwen waar je dertig jaar geleden nog wel in mocht, zijn nu gesloten of worden gerestaureerd. Helaas hoort daar ook het ‘peeskamertje’ bij. Daarom koop ik maar ter compensatie een boek met de titel ‘Pompeii’s Erotic Songbook’, om later op mijn gemak nog eens rustig over te lezen wat ik eigenlijk had moeten zien. Na twee en een half uur loop ik terug naar de auto om het laatste traject af te leggen: ergens in Basilicata. Waarom ga ik het eigenlijk niet direct proberen in het dorpje waar Carlo Levi in 1935 een jaar in ballingschap heeft gezeten: Aliano?! Carlo Levi, kunstenaar, arts en politiek actief voor links in het noorden van Italië, werd in die tijd door het fascistische regime verbannen naar een uithoek van Italië, Aliano, waar hij op een bewogen en aangrijpende wijze de armoede beschrijft van dit achtergebleven gebied in het werkelijk fantastische boek ‘Christus kwam niet verder dan Eboli’. Eigenlijk is het meer een eerbetoon aan de mensen in dit gebied en een aanval op de Italiaanse staat die zich geen moer aantrok (en nog steeds niet aantrekt) van de desolate toestand waarin dit gebied zich bevindt. Na de Italiaanse eenwording is dit gebied aan zijn lot overgelaten en Rome heeft tot dan toe niets gedaan om het gebied te ontsluiten en te ontwikkelen. Een jaar geleden heb ik dit boek in één ruk uitgelezen en sindsdien heeft het me niet meer losgelaten. Ik moet gewoon een keer de plek bezoeken waar hij in ballingschap heeft geleefd en waar hij in 1975 op eigen verzoek is begraven. Het landschap op weg er naar toe wordt hoe langer hoe mooier. Ongerepte natuur, een ongepolijste diamant. In één woord: adembenemend. Eigenlijk doet dit landschap mij nog het meest denken aan de landschappen die ik in Albanië en Macedonië gezien heb. Naar Aliano toe kom ik een raar soort maanlandschap tegen, met bijzonder merkwaardige vormen, dat ik morgen bij daglicht maar eens beter moet gaan bekijken. Het dorp ligt volkomen geïsoleerd in de bergen. Bij navraag blijkt dat er één plaats is waar ze kamers verhuren. Het blijkt achteraf een gouden greep, de zoveelste. Beneden is een bar, op de eerste verdieping is een grote ruimte waar gezelschappen ontvangen kunnen worden, op de tweede verdieping is de keuken en ook een ruimte waar gegeten kan worden, op de derde verdieping zijn twee slaapkamers met een mooie badkamer. Ik krijg een slaapkamer met drie bedden. Daar kan ik wel even mee vooruit. De vrouw des huizes heet Sisina. Beneden drijft de aangenomen zoon, ik neem aan dat ze zelf geen kinderen konden krijgen, de bar. Hij was zes toen hij bij hen kwam wonen. Zelf is ze geboren in 1953 en op 17-jarige leeftijd getrouwd, net als haar moeder die een arme boerin was. Van de keuken van de arme mensen heeft ze haar specialiteit gemaakt. En niet onverdienstelijk heb ik vanavond mogen ervaren! Het huishouden en de keuken doet Sisina samen met een Roemeense hulp, Dana. Haar levensverhaal is aangrijpend. Ze is getrouwd, begin twintig, heeft twee kleine kinderen, een jongetje van drie jaar die bij de grootouders woont in Roemenië en een meisje van 14 maanden, in Italië geboren in een ziekenhuis, zonder dat er familie of kennissen bij waren. Afgelopen december is alleen de man overgekomen, het andere kind blijft bij de grootouders achter. De man heeft nog steeds geen werk kunnen vinden. Dana is door Sisina opgenomen als een soort dochter en je merkt dat het heel goed klikt tussen die twee. Ik krijg drie gangen opgediend en de stemming stijgt, zeker als de fles wijn alweer voor meer dan de helft leeg is. Ondertussen heeft de echtgenoot van Sisina mijn auto in een garage gereden. Het is alsof ik na één avond zelf al onderdeel uitmaak van de familie, zo voel ik me hier thuis en op mijn gemak! Morgenvroeg gaan ze iemand voor mij regelen die een rondleiding verzorgt. Sisina laat een foto zien van Primo Levi uit 1935 samen met een aantal kinderen. Het meest rechtse kind is haar vader. Die leeft nog. Daarnaast staat een broer van hem, Sisina’s oom, die een paar jaar geleden is overleden. Ze spreekt met grote affectie over de man die ze nooit heeft gekend en voor wie hier drie museumpjes zijn gebouwd. Morgenvroeg heb ik een paar uur om alles goed te bekijken. Maar ik heb het gevoel dat dit zeker niet de laatste keer is dat ik hier ben!

Maandag 18 april

Als ik opsta, moet ik via de achterdeur naar de voordeur van de bar lopen om een kop koffie te nemen. Ontbijten doen ze niet of nauwelijks in Italië, dus neem ik maar een broodje uit de vitrine. De bar loopt vol met mensen die niet voor de koffie komen, maar voor een biertje of een neut en dat in de vroege ochtend! Buiten lopen de mannen een beetje rond te hangen voor de verschillende barretjes, terwijl de vrouwen in huis aan het werk zijn. Het is duidelijk te zien dat de bevolking verouderd is en dat er een hoge graad van werkloosheid is; de jongeren zijn grotendeels het dorp uitgevlucht, óf op zoek naar werk, óf om te studeren. Ik loop het dorp een beetje rond, op verkenningstocht. Het zit merkwaardig in elkaar. Eigenlijk bestaat het dorp uit drie delen: een oud, hoger gelegen deel, een oud, iets lager daarvan gelegen deel en een nieuwer deel. Tussen het oude en het nieuwe deel is een plek waar aan beide zijden de afgronden akelig dicht bij elkaar komen. In de loop van de tijd is er als gevolg van ontbossing erosie ontstaan waardoor geregeld enkele stukken, inclusief de daarop gebouwde huizen, naar beneden de afgrond in vallen. Nu hebben ze veel gedaan om de boel te ondersteunen, maar helemaal gerust kun je er volgens mij niet op zijn. Na de verkenningstocht keer ik terug naar de bar voor een tweede kop koffie en daarna neemt Luigi, de man van Sisina, mij in zijn auto mee naar het verderop gelegen kerkhof waar Carlo Levi begraven ligt. Hij heeft een bijzondere plek gekregen: met uitzicht op het dal en aan de overkant het huis waarin hij gewoond heeft. Op de grond ligt een zwarte steen met zijn naam en geboorte- en sterfdatum. Op vier hoeken staan vazen met verse bloemen. Links en rechts van zijn grafsteen staan twee rechtopstaande muurtjes gemaakt van baksteen. Heel sober, maar ik denk dat het hem wel zou bevallen. Terug bij de bar blijkt een gids gearriveerd te zijn, Giuseppe Garambone, naar schatting tussen de 25 en de 30 jaar, hier geboren, soms werkzaam in Milaan en omdat hij af en toe in het buitenland zit, de Engelse taal een beetje machtig. Een bijzonder aardige en sympathieke jongen en het klikt buitengewoon snel. Ik spreek met hem af dat hij gewoon Italiaans met me moet spreken. Dat stelt hem op zijn gemak en het geeft mij de kans mijn Italiaans weer een beetje op te halen. We beginnen bij de kerk, gewijd aan San Luigi. Niet veel bijzonders, behalve dat Carlo Levi er wel wat over geschreven heeft (als ik me goed herinner over een houten beeld en over de plaatsen die de bewoners in de kerkbanken hadden). Er bevindt zich ook een uit twee lagen opgebouwde toorts in ruitvorm van allemaal kaarsen met bovenop een plaatje van een heilige, naar ik aanneem San Luigi. Dit hele geval wordt door één vrouw op haar hoofd door het dorp gedragen tijdens een processie. Op mijn vraag waarom het door een vrouw gedragen moet worden, want het lijkt me nogal zwaar, antwoordt hij dat er een maagd voor gebruikt wordt die de reinheid moet symboliseren. Bovendien zijn vrouwen in deze streken gewend veel op hun hoofd te dragen, zoals Afrikaanse vrouwen dat doen. En inderdaad, nog geen vijf minuten later zie ik een vrouw met een dikke boomstam op haar hoofd door een straatje lopen. We bezoeken het pleintje vlakbij de kerk waar de priester gewoond heeft die in het boek van Levi zo’n belangrijke rol gespeeld heeft. Van zijn huisje is weinig overgebleven. Wel is op het pleintje nog de oven te zien waar het brood gebakken werd. Via de hoofdstraat lopen we naar het oude gedeelte. Ondertussen vertelt Giuseppe me dat er jaarlijks rond de 10.000 bezoekers komen en dat het dorp vroeger en nu steeds rond de 1200 inwoners heeft gehad. Verder vertelt hij me een merkwaardig verhaal over het opnieuw vergeten gebied van Basilicata door de huidige Italiaanse overheid. Er is een grote werkloosheid in deze streek, maar tegelijkertijd kent de streek volgens Giuseppe de grootste olievoorraad van Europa. Ik had er nooit van gehoord. Als het waar is, snap ik niet waarom de Italiaanse overheid hier geen werk van maakt. We lopen naar het eerste museumpje aan Carlo Levi gewijd, in het voormalige postkantoortje. Daar zijn allemaal reproducties van schilderijen en tekeningen van hem te zien. Hij was behalve een verdienstelijk schrijver ook een begenadigd schilder. Doorlopend naar het tweede, oude deel van de stad, komen we in een museum dat foto’s en papieren laat zien van Carlo Levi’s ballingschap, maar ook van zijn laatste bezoek aan het dorp één jaar voor zijn dood in 1975. Je kunt aan alles merken dat hij nog steeds zeer gerespecteerd wordt. Tegelijkertijd is het de enige toeristische attractie in de omgeving. Ten slotte eindigen we de twee uur durende rondleiding in het huis waar hij bijna een jaar gewoond heeft. Het bestaat uit drie aan elkaar grenzende kamers. Buiten is een WC-hokje te zien, de enige in zijn tijd! Boven zijn huis is een terras met een geweldig uitzicht over de omgeving. Van Sisina heb ik een fotokopie gekregen van Carlo Levi met haar vader, toen nog een klein kind, genomen op dit terras. Verder geeft ze me een kopie van haar armeluismaaltijden. Van haar ben ik verplicht nog de lunch te nemen voor ik weg ga. Weer een overheerlijke maaltijd: pasta e fagioli met een geitenkaasje erbij. Ze proberen me vet te mesten hier. Het afscheid is hartverwarmend. Van iedereen, de gids Giuseppe, Sisina, Luigi en Dana krijg ik twee dikke kussen en ik moet beloven spoedig terug te komen. Op de website van Dante Nijmegen zal ik nog wat extra reclame maken voor dit plaatsje en de keuken van Sisina. Vlak voor ik wegga komt Giuseppe nog met het hoofd van het plaatselijke toeristisch bureautje aanzetten. Adressen worden uitgewisseld en ik beloof nog een keer extra aandacht te schenken aan Aliano en de streek Lucanië in Basilicata. Luigi heeft mijn auto voorgereden en ik ga weer op weg. Aan de andere kant van waar ik binnen gekomen ben, verlaat ik het dorp, op weg naar Matera. Onderweg maak ik foto’s van het werkelijk schitterende landschap, ongerept en ongekend mooi en fascinerend om te zien. Na drie uur kom ik in Matera aan. In eerste instantie zie ik alleen maar flatgebouwen, maar als ik de bordjes Sassi volg, word ik plotseling geconfronteerd met een adembenemend mooi uitzicht op de oude stad. Gelukkig is er in deze tijd van het jaar nog weinig toerisme en kan ik zonder al te veel problemen mijn auto parkeren. Ik loop eerst onderlangs de oude stad en heb links van mij een fantastisch uitzicht over de kloof met holen in de rotswanden. Halverwege neem ik een steile trap naar boven en zigzaggend ga ik de oude stad door. Ik bezoek één sasso, een grotwoning, helemaal ingericht zoals het tot veertig, vijftig jaar geleden geweest moet zijn. Je krijgt een goede indruk van de beperkte ruimte, waar een gezin, samen met de dieren, huisde. Maar als het bandje met een Duitse tekst door de ruimte galmt, voel ik me als toerist weer aardig beetgenomen. Ik drink een espresso staande aan de bar en vervolg mijn rondgang richting de dom. Opnieuw valt me de mix op van hoogstaande kunst, afgewisseld met de grootst mogelijke kitsch en glitter, zoals de versierde Maria of het plastic kindje Jezus (‘il bambino Gesù’, net als de bambinello in Rome). Hoogtepunt is het schilderij van de Madonna met kind boven het altaar, duidelijk een pronkstuk. Na een rondwandeling van in totaal meer dan twee uur, verlaat ik Matera, in de wetenschap dat ik lang niet alles gezien heb. Zo heb ik het museum met schilderwerken van Carlo Levi niet kunnen ontdekken. Ook hier moet ik dus nog een keer terugkomen. Tussen vijf en zes uur moet ik in Montescaglioso zijn, bij de zus van Manlio met haar gezin. Als ik het dorp nader is het weer een voorbeeld van een prachtige, oude stad bovenop een heuvel, waarvan de geschiedenis teruggaat tot de tijd van de Longobarden. Ik heb geen adres, maar telefonisch een beschrijving gekregen om naar zijn werkplaats/studio te rijden, met de waarschuwing niet de smalle straatjes van de oude stad in te gaan. Hun huis ligt in het voor auto’s bijna onbereikbare oude deel van de stad. Zonder dat ik het in de gaten heb, zit ik natuurlijk toch binnen de kortste keren in de wirwar van steegjes en kan ik bijna niet meer voor- of achteruit met de auto. Een oude man geeft me aanwijzingen en uiteindelijk lukt het me toch, met het zweet op mijn voorhoofd, om al achteruit rijdend eruit te komen. Ik parkeer de auto op een klein pleintje en bel Franco, de echtgenoot van Elisabetta, om te melden dat ik op de hoek van de Via Dante Alighieri en de Via Gramsci sta. In eerste instantie denkt hij dat ik het heb over de vereniging Dante Alighieri, maar dan begrijpt hij dat ik zijn werkplaats ben misgelopen. Enkele minuten later komt hij er aan en krijg ik opnieuw twee flinke zoenen op mijn wang. Hij begint direct met een rondleiding door het oude gedeelte van de plaats. Ik kan het goed met hem vinden; hij heeft gevoel voor humor en na iedere zin raakt hij me met zijn hand even vriendschappelijk aan om zijn woorden kracht bij te zetten. Hij leidt me naar een plaats met een werkelijk fantastisch panorama over het omliggende landschap, met in de verte tegen de heuvelwand geplakt Matera. Werkelijk om te janken zo mooi. Daarna gaan we naar het Benedictijnenklooster, volgens Franco na Montecassino het beroemdste Benedictijnenklooster van Italië. Er wonen geen monniken meer. De gemeente heeft er een eigen bestemming aan gegeven: een plaatselijke school, ateliers voor kunstenaars en een museumpje over de geschiedenis van de boeren. Een gedeelte wordt gerestaureerd. Hier zou je best een ruimte kunnen maken om congressen te houden. Het gebouw bestaat uit een middeleeuws deel en een deel dat na de Middeleeuwen gebouwd is. Van verschillende ornamenten maak ik foto’s. Het is allemaal nog zo authentiek! Behalve dit klooster zijn er nog drie andere: van de Augustijnen, de zusters Clarissen en de Franciscanen, waarvan alleen van de laatste orde nog monniken rondlopen. We lopen door naar de dom van Montescaglioso. Op het moment dat we binnenkomen vindt er een mis plaats en kunnen we niet veel van de kerk zien. Duidelijk is wel dat de kerk gewijd is aan San Rocco, de heilige die aanbeden wordt vanaf de tijd dat er pestepidemieën uitbraken, ruim vijfhonderd jaar geleden. Ieder jaar vindt er op 20 augustus een groot feest plaats ter ere van deze heilige. In een grote optocht wordt een kar, getrokken door zeven paarden, met een beeld van de heilige rondgereden. Het is een grote processie, bekend in de verre omstreken. De stad is dan helemaal versierd en overal in de straten en aan de huizen is verlichting aangebracht. Het moet waarlijk een hele gebeurtenis zijn. Hoe komt het toch dat hier zo weinig toeristen naar toe komen? Het wordt hoog tijd om deze streek meer onder de aandacht te brengen. Niet te veel natuurlijk, anders bederft het toerisme weer de authenticiteit van het gebied. Tegen zonsondergang gaan we naar het huis van Franco en zijn gezin. Hij vertelt dat vele huizen leeg staan en voor een luttel bedrag te koop. We beklimmen een trapje en als we het huis binnen komen worden we enthousiast begroet door Bianca, een klein wit hondje, Pietro (17 maanden), Vincenzo, Giovanni, Sara (een drieling van 14 jaar!) en Elisabetta, de vrouw van Franco en de zus van Manlio. Het oude huis is werkelijk klein. Beneden een klein keukentje en badkamer, een eetkamer en een woonkamer; boven twee slaapkamers. De drieling slaapt bij elkaar op één kamer en de ouders met Pietro in het andere kamertje. Via een vlizotrap komen we boven op het terras uit. Dit uitzicht is nóg mooier dan het panorama van zojuist. Je kunt helemaal in de rondte kijken met uitzicht over het omringende landschap. Duidelijk zichtbaar is de zee in de verte. Wat moet het hier mooi zijn in de zomer, als je met een glas wijn van de zonsondergang wilt genieten! Franco vertelt dat Manlio hier graag na zijn pensioen zou willen wonen. Ja, wie niet! Er zijn momenten dat je wenst dat je al met pensioen kunt gaan. Franco is een echte huisvader: hij kookt, zorgt voor de kinderen en brengt later Pietro naar bed. Het is een gezellig gezin, ondanks de beperkte ruimte die ze ter beschikking hebben. Elisabetta gaat met mij in haar Fiat-panda de sleutel ophalen van de kamer die ik vlakbij gehuurd heb. Ze scheurt met de auto door de steegjes en langs de steile afgronden dat het een lieve lust is. Naast het huis van de 90-jarige schoonvader, woont de moeder van de vrouw die de kamer verhuurt. Een pronte Italiaanse dame, die achter in de Panda plaats neemt naast het kinderzitje en hup, daar gaan we met zijn drieën op weg naar mijn kamer. Via enkele steegjes komen we uit bij wat ooit een paardenstal is geweest. Gelukkig gaat er nog een trapje om de hoek naar boven en komen we uit bij een mooie kamer. Sono felice! In de Panda scheuren we daarna weer naar haar huisje van Franco en Elisabetta. Daar heeft Franco het eten al klaar staan en de wijn staat ook al op tafel. Het wordt een gezellige avond. We hebben veel gelachen, met de handen ‘gepraat’, heerlijk gegeten en de show werd gestolen door de kleine deugniet Pietro. Hij spreekt nog geen woord. Zijn mond gaat alleen open om wat eten naar binnen te werken. Tegen half elf, elf uur ga ik naar mijn kamer. Opnieuw een geweldige dag meegemaakt! Wat zal het straks moeilijk zijn om het dagelijkse leven weer op te pikken.

Dinsdag 19 april

Tegen negen uur sta ik met mijn auto voor de deur van de studio van Franco en Elisabetta. Hun werk bestaat uit het maken van papieren maar ook van audiovisueel reclamemateriaal. Verder maken ze op een soort tufsteen afbeeldingen, zodat het net lijkt alsof het een oud kunstwerk is. Als ik een afbeelding van Dante opstuur, ‘plakt’ Franco het op een tufstenen tegeltje. Hij heeft gouden handjes, die Franco, alles als een autodidacticus zichzelf aangeleerd, maar hij woont op de verkeerde plaats. Hij zou veel meer kunnen verdienen in Noord-Italië met zijn werkzaamheden. Misschien zou hij meer reclame voor zijn werk moeten maken en een netwerkje opzetten voor de verkoop van zijn producten. Ik beloof op de website van Dante Nijmegen reclame voor hem te maken. Als ik na een uur weg ga, verlaat ik de studio met een handvol geschenken, variërend van een kalender, boekjes, een bedrukt tegeltje met de Madonna met kind van Matera, een zelfgemaakte DVD met film en foto’s van Montescaglioso en nog wat reclamemateriaal. Ik voel me bijna beschaamd over zoveel gastvrijheid en geschenken. Het afscheid is een afscheid van vrienden: hartelijk en welgemeend. Rond twaalf uur rijd ik Bari binnen, op weg naar de volgende afspraak: met de beroemdste Italiaanse vakdidacticus op het gebied van geschiedenis, Antonio Brusa. Ik parkeer de auto in een kleine ondergrondse parkeergarage vlakbij het station. Tot mijn onaangename verrassing moet ik mijn sleutels achterlaten, want ze manoeuvreren telkens met de auto’s zodat ze er zoveel mogelijk kwijt kunnen in deze beperkte ruimte. Vooruit dan maar. Het zal wel een van die Italiaanse gewoontes zijn op basis van wederzijds vertrouwen. Voor het centrale station van Bari bel ik Antonio Brusa en binnen enkele minuten komt hij er aan. Nog wat grijzer en dikker dan ik me hem van het Euroclio-congres in Bologna van twee jaar geleden kan herinneren. Een hartelijk welkom met de inmiddels befaamde dubbele klapzoen op beide wangen en als oude bekenden gaan we op weg naar zijn bureau aan de universiteit van Bari. Op zijn kantoor heeft hij, naar eigen zeggen, de grootste verzameling van geschieddidactische schoolboeken en historische spellen staan van heel Italië. Hij is een aimabele man van rond de zestig. Hij heeft twee kinderen, een jongen van 30 en een meisje van 23, beiden studerend en woonachtig in Milaan. Zijn vrouw is twee jaar geleden overleden aan een tumor. Daar heeft hij het nog steeds heel moeilijk mee. Mijn indruk is dat hij zich als alleenstaande helemaal op zijn werk stort. Omdat hij in Italië zo beroemd is, wordt hij regelmatig gevraagd om naar verschillende scholen en congressen te gaan, een soort reizend ambassadeur dus. Verder werkt hij ook nog in Palermo en Pavia. Toen ik hem enige tijd geleden vroeg of ik hem kon opzoeken in Bari, bood hij mij onmiddellijk en ongevraagd logies bij hem thuis aan. Opnieuw die Italiaanse hartelijkheid! We rijden in mijn auto naar zijn appartement niet ver van het centrum af, met een bewaakte parkeerplaats. Hij beschikt over een grote ruimte met drie slaapkamers, een studeerkamer, een woonkamer, een keuken en een grote badkamer. Overal staan en liggen boeken kriskras door elkaar. Ik krijg de kamer van de dochter toegewezen. Daarna lopen we naar een taverna voor een pasta en een pot bier. Rond drie uur moeten we in een schoolgebouw zijn voor een werk- en hoorcollege van hem. Het lokaal is een afgeleefde ruimte vol oud meubilair. De studenten komen langzaam binnendruppelen, want sommigen hebben net bij een andere professor tentamen gedaan. Het werkcollege wordt ‘Laboratorio’ genoemd. Ze gaan vanzelf in groepen zitten en krijgen van Antonio kleine, geschreven bronnen uitgedeeld die gaan over de emigratie van Italianen naar Brazilië rond 1875-1880. Gisteren hadden ze primaire bronnen gekregen van (naar achteraf blijkt door de plaatselijke priester bewerkte) brieven van emigranten, vandaag krijgen ze secundaire bronnen met artikelen uit dagbladen. Iedere groep krijgt de opdracht de bronnen door te lezen vanuit verschillende belangengroepen en achtergronden. Na de pauze vindt er een discussie plaats en daarna een soort hoorcollege van Antonio over historiografie. Het is muisstil tijdens zijn uitleg. De studenten luisteren vol aandacht naar hem en hangen aan zijn lippen. Plotseling roept één student aan het eind: er is witte rook, we hebben een nieuwe paus! De groep wordt onrustig. Antonio gaat zitten en vraagt aan de groep of er vragen zijn die aan mij gesteld kunnen worden. Mijn Italiaans schiet echt te kort om voor zo’n grote groep iets zinvols te zeggen over de ontwikkeling van de didactiek in Nederland. Op een moment van stilte schreeuwt plotseling één student ‘Ratzinger!’ en de hel breekt los. Vóór- en tegenstanders gaan met elkaar in debat. De les is afgelopen. Antonio neemt me mee voor een rondwandeling naar de oude stad. Het is vandaag een prachtige dag met stralend blauwe lucht. De zee ligt er mooi en rustig bij als we langs de haven lopen. We komen uit bij de kerk van Sint Nicolaas. Het begint al te schemeren, dus het maken van foto’s gaat steeds moeizamer. Helaas is de kerk al dicht. Ik neem me voor om morgen in mijn eentje nog even terug te komen. Daarna gaan we naar een visrestaurant waar we de rest van de avond verblijven. Volgens mij heb ik wel zes of zeven gangen voorbij zien komen, samen met een fles witte wijn en rosé. Allerlei soorten vis en lokale lekkernijen passeren de revue, inclusief rauwe vis. Alles moet geprobeerd worden en Antonio betaalt. Ik sta er op om morgen te betalen. Aan het eind van de avond waggelen we naar huis en val ik als een blok in slaap.

Woensdag 20 april

Om zeven uur gaat de wekker. We lopen naar de universiteit en drinken onderweg een kop koffie, eten een cornetto en lezen even de krant. Die wordt beheerst door het nieuws over de nieuwe paus en de politieke verwikkelingen in Rome, waar de regering op vallen staat, lijkt het. Daarna lopen we door naar Antonio’s kantoor. Hij gaat met enkele mensen een programma opstellen voor een cursus op een paar scholen dat de universiteit het luttele bedrag van 35.000 euro oplevert. Ik ga aan het verslag van de afgelopen twee dagen werken. Rond het middaguur ben ik daarmee klaar ga in mijn eentje de stad in. Het is mooi weer en ik loop langs de haven van Bari naar de basiliek van Sint Nicolaas. Helaas zijn alle kerken tussen de middag dicht, dus ik moet hier ooit nog een keer terugkomen om de kerken van binnen te zien … . Opmerkelijk aan de basiliek is dat het niet symmetrisch is en dat er een mix van gotische en Normandische bouwstijlen te herkennen is. Het verhaal gaat dat in mei 1087 een stuk of 67 of 68 zeelieden, bijna allemaal inwoners van Bari, de relieken van Sint Nicolaas hebben gestolen in de Turkse stad Mira. Bij aankomst in Bari werd onmiddellijk besloten tot de bouw van de basiliek. Aan de buitenzijde zijn duidelijk namen te lezen. Het betreft de (familie van) de zeelieden die de beenderen hebben meegenomen en die hier begraven zijn. Als je van de kant van de zee naar de basiliek loopt, kom je onder een boog bij de achterzijde uit. De voorkant is naar het oosten gericht. Zowel bij de zijportalen als bij het voorportaal is duidelijk te zien dat de met beelden versierde bogen niet origineel zijn. Ze zijn ergens buitgemaakt (blijkbaar een traditie in Bari;de maffia is er nog steeds heel actief) en later pas bevestigd aan het portaal. In de bogen zijn allegorische figuren en motieven te herkennen. Twee zuilen bij de hoofdingang rusten op de ruggen van twee stenen ossen. Boven het portaal pronkt een sfinx. Het geheel dateert waarschijnlijk van begin 12e eeuw. Helaas kan ik niet de andere zijkant van het gebouw zien, want de poort die daar toegang toe geeft is dicht. Aan de andere kant van het plein beginnen de steegjes van het oude Bari. Bij een souvenirwinkeltje koop ik een kleinigheid en de verkoper verwijst me weer naar een ander winkeltje voor Pugliaanse olijfolie. Vervolgens loop ik voorbij de (gesloten) kathedraal naar het Normandisch-Schwabische kasteel, gebouwd in de tijd van Frederik II. Vanwege de korte tijd die ik ter beschikking heb, loop ik er maar voorbij. Om half drie moet ik weer bij de universiteit zijn. Samen met Antonio gaan we naar de school waar de hoor/werkcolleges gegeven worden. Vandaag krijgen de groepjes de opdracht vanuit verschillende perspectieven de ‘ontdekking’ van Amerika door Columbus te beschrijven. Bij de introductie wordt gerefereerd aan het boek van Huntington over de ‘clash of civilisations’, een aardige benadering. Het laatste uur is gereserveerd voor mij. Ik moet iets vertellen over het Nederlandse onderwijs- en examensysteem. Mijn Italiaans is nog te beperkt om langdurig achter elkaar voor een gezelschap te praten. Gelukkig is er één (!) student die als een soort tolk kan optreden. Vol afgrijzen nemen ze kennis van het feit dat geschiedenis na het veertiende jaar voor de meeste leerlingen een keuzevak is. Ook de discussies rondom de examenonderwerpen en de canon is voor hen een shock om te vernemen. In Italië is, met brede instemming, geschiedenis voor alle leerlingen tot en met hun 18e levensjaar een verplicht vak. Daarnaast worden ze geacht een historisch overzicht paraat te hebben. Hier wordt nog veel feitenkennis van leerlingen vereist, maar het is juist iemand als Antonio Brusa die beweging brengt in de didactiek van het geschiedenisonderwijs. Niet uitsluitend frontaal lesgeven, ook in groepjes laten werken en zelfs met spelletjes historisch inzicht bijbrengen behoort tot zijn vernieuwende aanpak. Op de basisschool en de Scuola Media heeft deze benadering inmiddels een breed draagvlak gekregen, maar vooral op de lycea en in mindere mate op het voortgezet beroepsonderwijs is er verzet tegen. Zij houden liever vast aan de behandeling van de leerstof en de benadering van de leerlingen zoals ze dit tot nu toe altijd naar tevredenheid hebben gedaan. Daarom heeft Antonio van de uitgever voorlopig een verbod gekregen om ook voor deze onderwijsvormen schoolboeken te schrijven. De boeken die hij voor de Scuola Media geschreven heeft, kennen een steeds grotere jaarlijkse oplage. Het afgelopen jaar werden er rond de 40.000 gedrukt. Niet weinig dus. Na afloop van mijn toespraakje komen de studenten naar me toe om me te bedanken voor de interessante bijdrage. Ze zijn o zo bang dat het Nederlandse systeem via de huidige regering ook in Italië wordt ingevoerd. Daarom protesteren ze massaal tegen de nieuwe onderwijswetten van minister Moratti en in het bijzonder tegen de pedagogische uitgangspunten zoals verwoord door Giusepe Bertagna. Na het college lopen we samen naar het huis van Antonio, gooien de spullen in de hoek en zoeken de taverna op waar Antonio een tafeltje voor ons gereserveerd heeft. Vlakbij een televisietoestel want er is vanavond de wedstrijd Juventus tegen Inter Milan (via Sky, de betaalzender). Tijdens het eten zit Antonio gespannen te kijken. Hij is aanhanger van Juventus, maar helaas, ze verliezen de wedstrijd met 1-0 en de stemming is aardig gezakt, zeker als zijn zoon, die aanhanger van Inter is, nog eens zout in de wonden strooit met een SMS-je. Maar gelukkig zijn er al weer snel enkele grappen. Bijvoorbeeld: Berlusconi komt bij de psychiater en die vraagt hem om over zijn problemen te praten. Vanaf wanneer moet ik beginnen? Vanaf het begin, antwoordt de psychiater. Welnu, zegt, Berlusconi, toen ik de wereld schiep … . En zo volgen er nog een paar. Terwijl ik klaar sta om te betalen, zegt Antonio dat het allemaal al geregeld is. De vlerk! Ik heb hier twee dagen gratis in zijn huis doorgebracht en hij betaalt ook nog mijn eten! Daarna gaan we op tijd naar bed. Morgen vertrekken we in alle vroegte naar Rome.

Donderdag 21 april (ochtend en begin van de middag)

Om 8 uur rijden we uit Bari weg en om 12 uur zijn we in Rome. Er was weinig verkeer op de weg en de autoweg door de Apennijnen van Bari naar Napels is veel beter dan die van Bologna naar Florence. Onderweg wordt er zeker 10-15 keer gebeld met Luigi Cajani, een echte Italiaanse ziekte dat bellen, zeker sinds de gsm zijn intrede deed. Wat zou een Italiaan zijn zonder gsm? Luigi en Antonio moeten vanmiddag samen een lezing geven over de geschieddidactiek en de samenwerking met het vak aardrijkskunde daarbij. Trots laten ze zich fotograferen voor de aankondiging van de lezing die aan een muur hangt. Daarna gaan we samen een hapje eten. Luigi vertelt me dat hij net terug is uit Bilbao en het leuk vindt me toch nog te ontmoeten. Hij komt af en toe Joke van der Leeuw van Euroclio tegen, zegt hij, zoals onlangs tijdens een congres in Turkije. Het afscheid is wederom hartverwarmend. Twee flinke zoenen, schouderklopjes en beloftes om terug te komen of naar Nederland te komen. Daarna vertrek ik met de auto naar het Nederlands Instituut om mijn voorlopig laatste bijdrage vanuit Italië op de weblog te zetten. Morgen ga ik naar Manlio en Brigitte in Conegliano, blijf daar ook nog zaterdag en zondag rijd ik weer naar huis. Het zit er bijna op, helaas. Het was een fantastische tijd, zoals een Grand Tour hoort te zijn, maar ik zie ook weer uit naar mijn gezin en zelfs naar mijn werk en mijn collega’s. Het was een echte Sabbatical in de ware zin des woords!