dinsdag, april 12, 2005

Vrijdag 8 tot maandag 11 april

Vrijdag 8 april

Na de vermoeiende dag en de vele indrukken van gisteren, slaap ik eerst lekker uit. Vandaag wordt de paus begraven. Ik doe er dus verstandig aan het Vaticaan links van me te laten liggen. Ze verwachten rond de drie miljoen pelgrims vandaag. Slechts een paar duizend mensen kunnen de buitenmis direct bijwonen, de rest moet genoegen nemen met op grote pleinen in de stad opgestelde beeldschermen. Iedereen die er een beetje toe doet is vandaag hier aanwezig. De Italianen gaan er prat op dat hun paus er in geslaagd is waar anderen faalden: politieke tegenstanders letterlijk bij elkaar te brengen. Zo doet hij zijn naam als vredespaus eer aan. Wel merkwaardig dat het Nederlandse koningshuis schittert door afwezigheid. Je hoeft niet katholiek te zijn om vandaag hier aanwezig te zijn. Bush is het niet, Khatami niet, Charles niet en toch zijn ze allemaal hier. Wat zijn wij toch een raar landje. Wij denken vaak op een arrogante wijze dat de hele wereld gek is en dat alleen in Nederland het gezonde verstand zegeviert, maar wij vormen bijna een uitzondering in de wereld en dat besef dringt nauwelijks tot ons door. Pas als Fortuyn of Van Gogh vermoord worden, beginnen we ons achter de oren te krabben. Zou het allemaal toch iets te maken hebben met (een gebrek aan) historisch besef?! Ik heb trouwens grote bewondering gekregen voor de Romeinse autoriteiten en inwoners. Ze hebben alles perfect georganiseerd en in de hand. Er zijn ruim 10.000 vrijwilligers die onbezoldigd hun medewerking verlenen aan het in goede banen laten lopen van dit evenement, o.a. door meer dan twee miljoen flesjes water gratis te verspreiden. En, het mag rustig nog een keer gezegd worden, er valt geen onvertogen woord. De hele stad leeft mee, improviseert, vangt de mensen op, is voorbereid op dit gebeuren en van links tot rechts valt er geen onvertogen woord te horen. Het klopt dus toch: Roma, città aperta! Omdat ze eergisteren tegen mij gezegd hadden op het Nederlands Instituut dat ze gewoon open zouden zijn, besluit ik met twee zware tassen, waar onder andere een laptop in zit, bus en tram te nemen. Het autoverkeer is helemaal stilgelegd. Hijgend en puffend kom ik bij het instituut aan om op het hekwerk een boodschap te lezen dat in verband met de uitvaart van de paus uit piëteit het instituut vandaag gesloten is. Maar goed dat er niemand bij was van de R.K.-kerk of het instituut om mijn reactie te horen. Bij het overstappen van tram naar bus loop ik toch uit nieuwsgierigheid naar het tegenoverliggende Piazza del Popolo. Massa’s mensen, velen gewapend met rood-witte Poolse vlaggen, volgen via een beeldscherm de uitvaart. Net op het moment dat alle heiligen één voor één worden afgeroepen, gaat de mobiele telefoon. Elly aan de lijn. Of ik wat harder kan praten, want ze verstaat me niet. Omstanders beginnen me al boos aan te kijken. Met de mobiele telefoon in de ene hand, de fotocamera in de andere, mijn rugzak op de rug en de laptop in een tas dwars over mijn lijf hangend, boom ik tussen de massa’s gelovigen het plein. Eindelijk, na drie uur onderweg te zijn geweest, kom ik uitgeput weer thuis. Ook het weer begint om te slaan. Het begint flink te waaien, de temperatuur daalt en er komen donkere wolken aan. De uitvaart had geen paar uur later moeten plaatsvinden. De rest van de dag besluit ik een baaldag te nemen. Uitrusten, schrijven, lezen, tv kijken, de was doen, koken en nog meer van dergelijke bezigheden vullen de rest van de dag. Hopelijk hebben de pelgrims morgen de stad weer verlaten en keert de rust terug. Het moet niet veel gekker worden.

Zaterdag 9 april

De formule van eergisteren om eerst een uitvalsweg van Rome te nemen en op die manier geleidelijk de stad in de loop van de dag weer binnen te komen, is me uitstekend bevallen. Dat doe ik vandaag weer. Helaas werkt het weer alleen niet mee: het regent. Met bus en metro ga ik naar de wijk EUR, in zuidelijke richting. De wijk is in de jaren dertig ontworpen door de architect Marcello Piacentini in opdracht van Mussolini ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling in 1942. Die ging echter vanwege het uituitbreken van de Tweede Wereldoorlog niet door. Na het Rome van de keizers uit de oudheid en dat van de pausen zou het fascisme Rome voor de derde keer in de geschiedenis in de vaart der volkeren moeten opstoten. Deze grootheidswaanzin zag ik enkele dagen geleden ook al op de Via dei Fori Imperiali, tegenover de plaats waar Mussolini altijd de parade afnam, waar aan de gevel vier plaketten bevestigd zijn met de omvang van verschillende Romeinse rijken (en waarbij die van het fascistische regime later verwijderd is). Pas na de oorlog is het EUR-project voltooid, alleen zonder officiële tentoonstelling. De letters staan voor Esposizione Universale di Roma. Een jaar geleden hebben we bij Dante Nijmegen een lezing van Romke Visser over deze wijk gehad en dat deed hij op een bewonderenswaardige wijze, zodanig dat ik deze wijk nu met eigen ogen wil aanschouwen. Ik stap uit bij de halte EUR Magliana en zie gelijk het hoge gebouw dat je ook ziet als je van het vliegveld Fiumencino naar het centrum van de stad gaat: het Palazzo della Civiltà del Lavoro, het Arbeidspaleis (1938-1943). Het gebouw heeft zes verdiepingen, aan alle vier de kanten voorzien van negen arcaden waardoor het lijkt of het gebouw bestaat uit een gatenkaas van 216 holen. Bovenaan het gebouw staat op alle vier de zijden de tekst te lezen: ‘Een volk van dichters, kunstenaars, helden, heiligen, denkers, wetenschappers, zeevaarders, landverhuizers’. De gebouwen er omheen zijn allemaal in eenzelfde, strakke, rechte stijl gebouwd. Het lijkt wel op een klassiek Romeins stadsontwerp, een schaakbordachtig patroon. Zigzaggend ga ik de wijk door. Tot mijn verbazing stikt het hier van de musea. Waarschijnlijk hebben ze er de ruimte voor. Vanwege de regen ga ik het Museo Nazionale dell’Alto Medioevo in, een museum dat vooral de geschiedenis belicht van de tijd van de invallen van de Longobarden (vierde tot en met zevende eeuw), nadat het zwaartepunt van de beschaving verschoven was van Rome naar Constantinopel, het latere Byzantium (nu Istanbul). Ik moet twee euro entree betalen en daarmee mag ik me de enige bezoeker van het museum noemen. Vooral de kunstig bewerkte gouden fibula’s maken indruk op me. Ik wist niet dat de Longobarden die kunst zo goed beheersten. Na het bezoek keer ik terug naar die ene lange weg die het Arbeidspaleis verbindt met het Museo della Civiltà Romana. Dit museum is pas in 1955 gebouwd en was een schenking van de oude Fiat-directeur Agnelli. Ik wil het graag bezoeken omdat hier een reusachtig schaalmodel te zien is van het antieke Rome in de tijd van keizer Constantijn. Dit model is in heel veel geschiedenisboekjes terug te vinden. Thuis heb ik er een uitklapbare wandplaat van met een begeleidend boek. Het schaalmodel werd in 1860 gemaakt in opdracht van Napoleon III. Helaas gaat het museum om 14.00 uur dicht; ik ben net enkele minuten te laat. Door deze tegenvaller, gecombineerd met het slechte weer, de naargeestige indruk die de wijk op me maakt en de talrijke fascistische graffiti op de muren, besluit ik de metro te nemen om twee haltes verder bij mijn volgende bestemming uit te komen: de basiliek van San Paolo fuori le Mura (Sint-Paulus-buiten-de-muren). De kerk staat op de plaats waar de heilige Lucina de apostel Paulus heeft begraven. Daar heeft vervolgens keizer Constantijn in 324 een kleine basiliek laten bouwen. Vanaf de achtste eeuw voegden monniken zich bij de ommuurde wijk. De kerk is getroffen door allerlei rampen, waarvan de ergste die van 1823 was. De kerk brandde toen af door nalatigheid van een loodgieter die reparaties aan de dakgoten uitvoerde. Gelukkig is het prachtige mozaïek in de apsis (begin 13e eeuw) bewaard gebleven. Bij de wederopbouw heeft zelfs ‘onze’ koning Willem II een bedrag van 1000 gulden geschonken, en dat voor een protestant … . Als ik de kerk via een zij-ingang binnen kom, word ik vooral getroffen door de enorme ruimte. Na de Sint Pieter is deze kerk de tweede in grootte in Rome, dus nog groter dan de Sint Jan van Lateranen. Onder het hoofdaltaar bevindt zich het graf van Paulus. Daarnaast staat een fraai bewerkte paaskandelaar uit de 12e eeuw. Als ik daar een foto van maak, zie ik hoog boven in de kerk een licht branden. Dat is gericht op het portret van de zojuist overleden paus Johannes Paulus II. Van alle 263 pausen die er tot nu geweest zijn, zijn boven de kroonlijst ronde mozaïeken gemaakt. De toekomstige pausen moeten er snel bij zijn: er is nu nog maar plaats voor acht pausen. Via de sacristie kom ik uit bij een mooie kloostergang met gedraaide zuilen, sommigen bekleed met mozaïek. De kloostertuin is werkelijk mooi en rustgevend. Ten slotte bezoek ik nog de reliekenkamer. Wat een merkwaardige verzameling staat hier bij elkaar. Zelfs de ketenen van Paulus worden als reliek bewaard. Als ik dit keer door de hoofdingang naar buiten loop, zie ik pas hoe de entree van de basiliek is. Voor de gesloten Heilige Deur, aan de rechterkant, branden kaarsjes voor de overleden paus. In het atrium vóór de kerk, staat in het voorhof een beeld van de Heilige Paulus met een zwaard in zijn hand, als symbool van zijn martelaarsdood. De uit de 19e eeuw afkomstige voorgevel maakt weliswaar op veel mensen indruk, maar ik vind hem te pompeus en te kitscherig. Na dit bezoek neem ik wederom de metro, nu voor een ritje naar het Circus Maximus, althans, wat er van overgebleven is. Ik loop de kale grasvlakte over waar eens een paardenrenbaan van 600 bij 200 meter was en waar 300.000 toeschouwers in konden. In het midden liep vroeger een muur (de spina) waarop enkele beelden stonden. Hier stonden ook de twee obelisken, waarvan er nu één op de Piazza del Popolo staat en één op het plein bij de Sint Jan van Lateranen. Tijdens de wedstrijden moest er zeven keer om de spina gereden worden, waarbij bijna alles was toegestaan (denk ook maar eens aan de film van Ben Hur!). De keizerlijke verblijven die wat hoger liggen op de Palatijnse heuvel, van waaruit de keizer de wedstrijden kon volgen, zijn goed te zien. Deze plek is trouwens om twee andere redenen ook nog historisch: hier vond de Sabijnse maagdenroof plaats (vanwege een tekort aan vrouwen roofden de Romeinen de dochters van de Sabijnen tijdens een feest) en hier begon ook de grote brand in het jaar 64 onder Nero die elf van de veertien wijken in Rome verwoeste en die zeven dagen duurde. Even verderop, om de hoek, ligt de Santa Maria in Cosmedin, oorspronkelijk een Griekse kerk in de 6e-8e eeuw. Er staat een mooie campanile uit de 11e eeuw naast. Cosmedin is waarschijnlijk afgeleid van kosmos (= sieraad, verfraaiing). Er is veel cosmatenwerk te zien op de vloer, mozaïeken waarbij met stukjes geleurd marmer geometrische figuren zijn gemaakt. Het is een kleine, donkere kerk, met een naar verhouding grote liturgische ruimte. Hij lijkt veel op de Byzantijnse kerken die ik in de Balkanlanden heb gezien. Ook zijn er wat iconen te zien, waarvan de belangrijkste de Santa Maria in Schola Greca is. De kerk wordt echter vooral veel bezocht omdat in het voorportaal de Bocca della Verità staat (‘de mond van de waarheid’). Oorspronkelijk was het een riooldeksel in de vorm van een masker, dat nu rechtop tegen de muur staat. Als je je hand in de mond stak en je had gelogen, dan zou je hand afgebeten of verbrand worden. Als er niets gebeurde, dan had je de waarheid gesproken. Veel vrouwen uit Rome hebben hun man hier naar toe gebracht als ze hen verdachten van overspel. Bekend voor de ouderen onder ons is natuurlijk het fragment uit Roman Holiday waarbij Gregory Peck Catherine Hepburn laat schrikken als hij net doet alsof zijn hand is afgebeten. Een mooi verhaal is trouwens het verhaal van een man die zijn vrouw verdacht van overspeligheid. Ondanks dat ze inderdaad een jonge minnaar had, bleef ze ontkennen. De echtgenoot sleepte haar mee naar de Bocca voor de vuurproef. Uit het publiek kwam de jonge man naar voren en kuste haar innig, zogenaamd uit medelijden en om haar moed in te spreken. Toen de vrouw beweerde dat ze nooit iemand anders had aangeraakt dan haar man en deze jonge man, sloot de mond zich niet. Ja, zo lust ik er nog wel een paar. Schuin aan de overkant staan nog twee mooie tempeltjes. De eerste is het ronde Vespatempeltje. Het diende voor de aanbidding van Hercuels Victoris, beschermgod van de handel. De tweede die ernaast staat is de langwerpige tempel van Fortuna Virilis of Portunus (beschermgod van de rivierhaven), later gewijd aan de Heilige Maria van Egypte, de beschermheilige van de hoeren. Net op het moment dat ik een foto wil maken, landt een witte duif vlak voor me op een steen. Hij pronkt met zijn veren dat het een lieve lust is. Zou hij wel weten voor welk tempeltje hij zit of is dit een voorteken voor mij? Je weet niet meer welke goden je hier moet aanbidden, het aanbod is te groot, maar het wordt in ieder geval wel een mooie foto. Weer even iets verder kom ik voorbij de kerk San Nicola in Carcere (Sinterklaas in de gevangenis …). Omdat hier vroeger een kerker was, heeft de kerk deze naam gekregen. Je ziet in de zijgevel nog de zuilen van een oude Juno-tempel. Binnen bidden drie oude vrouwtjes en een oude man hardop alsof hun leven ervan af hangt. Misschien worden ze op 6 december hiervoor wel beloond. Naast de kerk begint het theater van Marcellus, de zoon van de zus van keizer Augustus en de man van zijn dochter Julia. Er konden zo’n vijftien tot twintigduizend bezoekers in dit theater, waar moorden en verkrachtingen ook daadwerkelijk plaatsvonden op speciaal daarvoor geselecteerde slaven. Later zijn de stenen van het theater deels gebruikt voor de restauratie van een brug. Van het restant heeft een familie een paleis laten maken en zijn er kleine huisjes in de loop van de tijd tegenaan gebouwd. Onderlangs de resten van het theater kom ik uit bij het voormalige joodse getto. Tussen 1555 en 1798 bevonden zich hier op een ommuurde en met poorten afgesloten oppervlakte van 1,5 ha. soms wel tot 4000 joden. Paus Paulus IV had hier om religieuze redenen (de Contrareformatie was begonnen!) toe besloten. Het was overigens niet het eerste getto in Italië; dat was in 1516 in Venetië. Daar is het woord getto waarschijnlijk bedacht als afgeleide van het woord ‘gettare’ dat gieten en ‘getto’ dat ijzergieterij betekent, omdat joden daar in die buurt vaak in werkzaam waren. Die wijk is trouwens ook de moeite van een bezoek waard (drie synagogen, hoge huizen omdat ze niet mochten uitbreiden). Er is weinig nog dat doet herinneren aan een oud getto hier. Alleen enkele Hebreeuwse inscripties en tekeningen boven een winkel (waar ze overigens heel lekker gebak hebben!) doen nog denken aan een voormalige joodse wijk, buiten de nieuwe joodse restaurantjes, winkeltjes en een synagoge verderop. In Nederland heeft Sam Wagenaar een mooie studie gemaakt over de geschiedenis van de joden in Rome. Via enkele steegjes kom ik uit bij de Piazza Mattei, met de lievelingsfontein van Elly: de Fontana delle Tartarughe, de schildpaddenfontein. Op de rand van en waterbekken, bestaande uit vier schelpen, laten vier jongens, met de voet een dolfijn bedwingend, een schildpad uit het bovenste bekken drinken. Om de hoek ligt de Via M. Caetani, waar een plaquette aan de muur bevestigd is ter herinnering aan de vondst van het lijk van de voormalige Italiaanse premier Aldo Mori. Hij was op 9 mei 1978, na een ontvoering van twee maanden, door de Rode Brigades vermoord en in een kofferbak van een auto op deze plek achtergelaten. Links om de hoek kom ik weer uit bij het Largo di Torre Argentina. In een zijstraatje van het plein, de Via del Sudario, woont op nummer 40 al twintig jaar lang de Nederlandse schrijfster Rosita Steenbeek. Naast haar huis staat onopvallend de Vlaamse kerk San Giuliano dei Fiamminghi, die alleen maar te bezichtigen is na een afspraak. Hier heeft paus Johannes Paulus II tijdens zijn opleiding twee jaar aan het Belgisch priestercollege gestudeerd. Aan het plein Torre Argentina duik ik even een uurtje de grote boekenzaak Feltrinelli in. Ten slotte zoek ik nog twee plekken op die ik altijd aandoe in Rome: het Pantheon en de Trevi-fonteinen. Het Pantheon acht ik het mooiste bouwwerk ooit gebouwd. Het wordt ook wel de Rotonda genoemd, vanwege de koepel. Het gebouw is rond 120 gebouwd in opdracht van keizer Hadrianus, ter vervanging van een tempel gebouwd door de schoonzoon van Augustus, Agrippa. Op de gevel staat de tekst ‘M(arcus) Agrippa L(ucii) F(ilius) CO(n)S(ul) Tertium Fecit’ (Marcus Agripa, zoon van Lucius, heeft (dit) gemaakt in zijn derde periode als consul). Sommige mensen denken dat het Pantheon letterlijk betekent tempel voor alle goden, maar het betekent eigenlijk het volkomen goddelijke’. Overigens werden er in de nissen wel vele goden vereerd. De doorsnee en de hoogte van het gebouw zijn identiek: 43,30 meter. Hoe hoger bij de opening, hoe lichter het materiaal dat gebruikt is (vulkanisch gesteente). De koepel is een voorbeeld en inspiratiebron geweest zowel voor de koepel van Bruneleschi in de dom van Florene, als voor die van Michelangelo bij de Sint Pieter. Het gat bovenin de koepel is de enige lichtbron en is open. Als het regent, wordt het water beneden opgevangen en weggevoerd in putjes. Het mooie van het Pantheon is dat de elementaire figuren (driehoek, vierkant, cirkel) op een perfecte manier opgenomen zijn in het gebouw. Bovendien is het fantastisch dat het gebouw er na al die jaren nog staat. Enkele beroemdheden zijn hier begraven, zoals de schilder Rafaël en de koningen Victor Emanuel II en Umberto I (!). Achter het Pantheon staat het lieflijke olifantje (met kleine obelisk) van Bernini, vóór de Santa Maria sopra Minerva. Deze kerk heeft een prachtige plafondschildering, maar er zijn ook vele beelden en schilderijen te bewonderen van beroemde kunstenaars. De kerk is gewijd aan de heilige Catharina van Siena, waarvan het gebeente onder het hoofdaltaar ligt. Ik eindig mijn historische wandeling vandaag bij de Trevi-fonteinen en voor de deuren van het pastamuseum, waar een tekst en tekening hangt ter gedachtenis aan Scanderbeg, de vader des vaderlands in Albanië, waar ik al drie keer in verband met werkzaamheden voor Euroclio mocht verblijven. In het internetcafé om de hoek beantwoord ik nog wat mail, neem de metro en bus naar huis en neem een pizza in het restaurantje om de hoek. Het is welletjes geweest voor vandaag.

Zondag 10 april

Het weer is nu echt bedroevend te noemen: regen, regen en nog eens regen. Er valt zelfs sneeuw in sommige gebieden van Italië. Het lijkt wel alsof het voorjaar wordt opgevolgd door de winter. In de regen doe ik snel wat boodschappen en de rest van de middag breng ik lezend en schrijvend door. De zondag als rustdag. Jammer is alleen dat Bas Mesters deze week geen tijd meer voor mij heeft. Door het overlijden van de paus en de politieke ontwikkelingen na de regionale verkiezingen, heeft hij het te druk. Wel heb ik een afspraak kunnen maken met René van Hees a.s. zaterdag in Tivoli. In de krant La Repubblica zag ik dat er in de Chiesa di Sant’ Agnese in Agone aan het Piazza Navona een pianoconcert gegeven zou worden van Gianluca di Donato met werken van Beethoven, Schumann en Brahms. Dat leek me wel een leuk intermezzo voor deze verregende zondag. Helaas had ik me vergist in het aanvangstijdstip zodat ik alleen nog maar de toegift kon meemaken. De kerk zelf is veel kleiner dan je van buiten zou denken. De gevel strekt zich ook een beetje uit over de paleizen links en rechts van de kerk. Op deze plek zou rond het jaar 300 de heilige Agnes bespot (agonie) zijn en onthoofd, omdat ze zich verzette tegen een gedwongen huwelijk en ook niet als straf in een bordeel wilde werken. De meid was pas twaalf jaar oud. Ze wilde haar kuisheid en maagdelijkheid bewaren en wilde daarom niet naakt tentoongesteld worden. Daarom wachtte haar de straf om naakt op de brandstapel te gaan. Maar toen gebeurde er een wonder: haar haren begonnen plotseling heel snel te groeien en bedekten haar lichaam. De vlammen van de brandstapel doofden. Tja, toen bleef de beulen niets anders over dan om haar te onthoofden. In een kapel opzij van het hoofdaltaar wordt het hoofd van Agnes bewaard in een zilveren reliekschrijn. Het lijkt bij nader inzien wel een muizenkopje, zo klein. Ruim twee jaar geleden ben ik bij haar geboortehuis geweest aan de Via Nomentana, waar nu een kerk gebouwd is (Sint-Agnes-buiten-de-muren). Onder die kerk zijn catacomben, maar wat veel mooier is, naast de kerk aan de Via Nomentana staat het ronde mausoleum van prinses Costanza, de dochter van keizer Constantijn. Werkelijk de moeite waard om een bezoek aan te brengen. Vanwege de regen ga ik niet veel meer ondernemen. Ik ga nog wel op zoek naar een beeld waarbij de inwoners van Rome spottende en kritische brieven en gedichten ophangen. Tijdens de Italiaanse les hebben Eloy van de Lisdonk en Marie-José Metz het hier een keer over gehad. Na heel wat zoekwerk vind ik het uiteindelijk aan de Via di Pasquino en zo heet het beeld ook: Pasquino. In 1501 werd dit brokstuk van een antieke beeldengroep gevonden bij een werkplaats van de schoenlapper Pasquino die bekend stond om zijn scherpe tong. In het geheim werden er ’s nachts hatelijke briefjes opgehangen die gericht waren tegen de heersers van de stad. In werkelijkheid staan ze symbool voor de vrijheid van meningsuiting. Ook nu wordt deze traditie voortgezet, gezien het aantal verhalen en gedichtjes die ik er aan tref gericht tegen Berlusconi. Van de zes beelden in de stad waar deze traditie gold, zijn er nog maar twee over: Pasquino en Babuino (in de Via del Babuino). Hierna houd ik het voor gezien. Ik heb het koud, ben doorweekt en heb honger gekregen. De rest van de avond heb ik gewerkt aan de voorbereiding van de gesprekken van morgen en het verwerken van de laatste verslagen.

Maandag 11 april

Er staan voor vandaag twee belangrijke ontmoetingen op de rol: in de ochtend met het Ministerie van Onderwijs en in de middag met Invalsi, het Italiaanse Cito. In de stromende regen sta ik om tien uur voor de deur van het immense, neo-klassieke gebouw aan de Viale Trastevere 76a. Op de eerste verdieping bevindt zich de ordinamenti scolastici, waar ik een afspraak heb met directeur-generaal Silvio Criscuoli, de derde in rang na de minister (voor minder doe ik het niet). Via de statige gangen en dito ontvangstkamer word ik welkom geheten door Silvio Criscuoli, een aimabele man, de zestig gepasseerd. Hij leidt mij naar zijn enorme werkkamer, met een gigantisch bureau vol met allerlei stapels papier, de Italiaanse en Europese vlag achter hem en een foto van president Ciampi aan de muur. We nemen plaats op een leren bankstel en niet veel later voegt zich bij ons inspecteur Luciano Favini. Er volgt een geanimeerd gesprek waarvan hieronder de hoofdpunten staan. De onlangs aangenomen wet nummer 53, de wet Moratti, genoemd naar de minister, zorgt voor een tweedeling van het Italiaanse onderwijssysteem zoals wij dat in Nederland ook kennen: enerzijds de Lycea (met aansluitend de universiteit) en anderzijds het beroepsonderwijs. Daarmee hoopt men het Italiaanse onderwijs beter te kunnen laten aansluiten bij het onderwijs zoals dat in de meeste andere Europese landen gegeven wordt. De wet houdt in dat het beroepsonderwijs na de Scuola Media (de Italiaanse Middenschool), dus na het vijftiende jaar, voor een deel zal bestaan uit algemene vorming en voor een ander deel uit praktijkonderwijs in samenwerking met het bedrijfsleven. Daarbij zullen de Istituti Professionali binnen de regio’s veel vrijheid krijgen om zelf het leerwerktraject vorm te geven. Of dit in de praktijk een succes zal zijn, moet nog blijken. De wet is wel aangenomen, maar het blijft allemaal experimenteel. De algemene vorming blijft gebaseerd op nationale onderwijsprogramma’s, waar de eindtermen bepalend zijn voor de inhoud. Voor deze beroepsopleiding zullen aparte lerarenopleidingen moeten komen, een geluid dat ik vorige week ook uit Nederland opving van het CDA. Voor het slagen van deze plannen is het belangrijk om te beschikken over de mogelijkheid om leerresultaten te kunnen meten en met elkaar te kunnen vergelijken. Daarom zijn ze hier zeer geïnteresseerd in een instituut als het Cito, ten eerste als een soort kwaliteitsbewaking en ten tweede om een instrument in handen te hebben om hervormingen door te voeren. Het woord portfolio is ook hier doorgedrongen en daarom zijn ze bijzonder geïnteresseerd in het leerlingvolgsysteem. Ten slotte willen ze meer weten van het piramideproject en de internationale poot van het Cito, zeker toen ze hoorden dat het Cito in Duitsland, Turkije en de Verenigde Staten kantoren had geopend. Kortom, werk aan de winkel! We praten nog even door over de grotere invloed die de regio’s krijgen op de inhoud van het onderwijs van met name de beroepsopleidingen. Er zal een zekere spanning ontstaan tussen de inhouden van de onderwijsprogramma’s tussen de landelijke regio’s onderling en het overeind houden van nationale standaarden. Als voorbeeld nemen we geschiedenis. Dat blijft een belangrijk vak, ook na de aanname van de nieuwe wet, omdat het een belangrijke bijdrage levert aan de algemene ontwikkeling van kinderen en omdat het ook een zekere mate van nationaal historisch besef bijbrengt, in dit verdeelde land niet onbelangrijk. Was het vak geschiedenis in de oude wet voor alle leerlingen tot 18 jaar een verplicht vak, nu is het dat in ieder geval tot en met de Scuola Media (15 jaar) en ook daarna, maar afhankelijk van de scholen en de regio’s. Dat kan gevolgen hebben voor het aantal lesuren (want de praktijkuren moeten ergens vandaan komen), maar ook voor de inhoud van het geschiedenisprogramma. Naast nationale en Europese geschiedenis komt er nu ruimte voor lokale en regionale geschiedenis. Je moet er niet aan denken wat dit bijvoorbeeld voor de Veneto tot gevolg kan hebben waar de Lega Nord grote invloed heeft. Hier op het ministerie voelen ze die dreiging zelf ook donders goed aan. Waarschijnlijk is dit de tol die betaald moet worden voor het overeind houden van de huidige coalitie, die alleen dankzij de steun van de Lega Nord over een parlementaire meerderheid beschikt. Althans, nog wel, want de politieke spanningen lopen na de desastreus verlopen regionale verkiezingen voor de centrum-rechtse coalitie dermate hoog op dat er momenteel gespeculeerd wordt over vervroegde nationale verkiezingen in oktober van dit jaar. Ik beloof de heren dat we materiaal vanuit het Cito zullen opsturen in het Engels, zowel algemene informatie als voorbeelden van toetsen (Favini wil graag examens Latijn en Grieks!) als ook informatie over portfolio, leerlingvolgsysteem en piramideproject. Wellicht moeten we een delegatie uitnodigen op het Cito om ter plekke kennis te nemen van onze producten. De sessie wordt besloten met het aanbieden van een relatiegeschenk (de thermometer, die hij aan de muur van zijn werkkamer gaat ophangen!) en het maken van enkele foto’s. Favini begeleidt me naar de uitgang. Ze waren beiden zeer voorkomend, geïnteresseerd en aardig en ze trokken bijna anderhalf uur voor me uit. Nu gauw naar huis, een hapje eten en met de auto naar Invalsi in Frascati. Op mijn weg de stad uit kom ik langs het voormalige Olympische stadion. Zie ik het goed? Jawel hoor, er staat een hoge pyloon voor de ingang met van boven naar beneden de letters Mussolini, Dux geschreven. De omliggende gebouwen zijn ook duidelijk van fascistische herkomst. Dat verwacht je toch eigenlijk niet midden in de stad Rome anno 2005. In Frascati aangekomen is het probleem dat ik geen adres van het instituut heb, alleen dat ze gehuisvest zijn in Villa Falconiere. Na enige tijd zoeken kom ik een aantal plaatselijke bewegwijzeringen in het centrum tegen waar Villa Falconiere tussen staat. Ik val bijna van mijn (auto)stoel als ik zie waar ik uitkom. Het is werkelijk een grote, oude Villa uit de 16e eeuw. En wat een tuin en wat een uitzicht over Rome, het omliggende landschap en in de verte zelfs de zee! Als ik de hal in loop zie ik prachtige fresco’s aan de wand. Langs allerlei beschilderde gangen kom ik uit op de eerste verdieping waar ik ontvangen word door directeur Salvatore Cinà en medewerker professor Raimondo Bolleta. De laatste werkt voor Italië mee aan het Pisa-project, is in 2003 al eens op het Cito geweest en kent Joop Hendricx. Net als vanochtend wordt er alleen maar Italiaans gesproken en soms ontgaan mij de finesses, maar in grote lijnen kan ik het wel volgen. Eerst ter vergelijking. Bij Invalsi werken ongeveer 30 personen die jaarlijks examens maken voor 500.000 leerlingen. Ter vergelijking: bij het Cito werken ongeveer 450-500 personen die examens maken voor naar schatting 120.000 kandidaten. Daar moet wel bij vermeld worden dat het Cito een instituut is dat meer doet dan alleen maar examens maken. Tijdens mijn eerste week van mijn verblijf heb ik het Italiaanse examensysteem al beschreven. Zij kennen een schriftelijk eindexamen dat bestaat uit drie onderdelen: la prima prova, la seconda prova en la terza prova. Italiaans is een voor iedereen verplicht centraal schriftelijk examen (La prima prova). Het examen bestaat vooral uit schrijfvaardigheid, met de nadruk op het schrijven van betogen in correct Italiaans. Daarnaast wordt een tweede vak centraal schriftelijk geëxamineerd (La seconda prova), afhankelijk van het type school waar je op zit. Zo wordt op een Liceo classico óf Latijn óf Grieks als tweede vak centraal geëxamineerd en op een Liceo tecnico-scientifico wiskunde óf scheikunde. De derde vorm van examens bestaat uit een schriftelijk schoolexamen, met voorbeelden van centraal ontwikkelde toetsten, met een interdisciplinaire aanpak van vier of vijf vakken (La terza prova). De grootste problemen in het Italiaanse onderwijs zijn volgens Cinà en Bolleta: a) de onderwijshervormingen in het verleden zijn telkens doorgevoerd op leeftijd van de leerlingen, horizontaal, (dus bijvoorbeeld alleen het basisonderwijs of alleen de Scuola Media) en niet integraal, verticaal, waardoor er nu grote aansluitingsproblemen zijn tussen de drie schooltypen basisonderwijs – middenschool – voortgezet onderwijs b) de onderwijzer in het basisonderwijs is breed opgeleid voor alle vakken, de andere schooltypen kennen gespecialiseerde leerkrachten in één of twee vakken (dat verklaart volgens hen ook waarom de resultaten in Europees verband nog goed te noemen zijn tot en met het basisonderwijs, maar daarna snel bergafwaarts gaan) c) lycea willen niet meewerken aan onderwijshervormingen of aan didactische veranderingen (ze richten zich vooral op de inhoud van de vakken en de doorstroming naar de universiteiten) d) het gegeven onderwijs sluit niet goed aan bij vervolgopleidingen (of omgekeerd; het is maar hoe je het bekijkt) e) tussentijds overstappen van de ene vorm van onderwijs naar de andere vorm (een uitkomst bijvoorbeeld voor gemotiveerde allochtone leerlingen die de taal nog niet zo goed beheersen) is nauwelijks mogelijk. De meeste problemen zijn ook herkenbaar in het Nederlandse onderwijssysteem. Volgens hen wordt de onlangs aangenomen onderwijswet vrij breed gedragen en weinig bekritiseerd, behalve voor het leerwerktraject (volgens criticasters wordt hiermee de leerplichtleeftijd eerder met een jaar teruggebracht dan met een jaar uitgebreid), maar dit traject geldt slechts voor 10-15% van alle leerlingen, beweren ze. Ook de inhoud van sommige vakken, zoals geschiedenis, wordt bekritiseerd. Het huidige Italiaanse examensysteem is een geaccepteerd verschijnsel in Italië, vooral omdat docenten zelf grote invloed hebben op de examens, de overheid vaak gewantrouwd wordt en ouders denken nog enige invloed op de resultaten te kunnen uitoefenen mochten de resultaten voor zoon of dochter onverhoopt tegenvallen. Het grootste probleem heeft te maken met het verschil tussen Noord en Zuid in Italië. Dat heeft te maken met de verschillende sociaal-economische structuren van beide delen van Italië. Het Noorden is industrieel verder ontwikkeld, vraagt om meer flexibel inzetbare arbeidskrachten, zoekt meer uitdagingen en kent meer innovatieve bewegingen dan het over het algemeen traditionele en achtergebleven Zuiden. Hier is opnieuw het spanningsveld tussen nationale en regionale belangen te bespeuren. Invalsi zou graag meer willen samenwerken met het Cito en ook graag wat producten zien op het gebied van beeldschermexamens, portfolio, leerlingvolgsysteem en piramideproject. Zelf houden ze zich tot nu toe alleen bezig met de eindexamens van het voortgezet onderwijs en bieden daarnaast aan docenten de gelegenheid gebruik te maken van een soort itembankarchief. Ook bieden ze hulp bij en houden ze toezicht op het goed laten verlopen van de examens op scholen. Misschien is het wel een idee om een gemengde delegatie uit te nodigen van mensen van het Ministerie van Onderwijs, Invalsi (centrale examens) en Indire (algemene vorming en didactiek). Aan het eind krijg ik een dubbel CD-rom mee met alle examens uit 2004 van de terza prove. Thuis maar eens even goed bekijken. De directeur neemt afscheid van mij en gaat naar huis. Ik heb geen idee waar hij zich verder overal mee bezig houdt, maar ik heb zo mijn twijfels. Dit zal wel weer een politieke benoeming zijn geweest. Raimondo Bolleta is bijzonder vriendelijk en laat mij het hele gebouw zien. Villa Falconiere is een 16e eeuws gebouw waar kardinaal Falconiere gewoond heeft en later cisterciënzer monniken. In de 18e eeuw is de Villa in eigendom gekomen van de familie van de beroemde componist Mendelsohn-Bartoldy. Na de Eerste Wereldoorlog zijn alle Duitse bezittingen in Italië genationaliseerd en werd ook deze villa staatseigendom. De afgelopen twintig jaar zit Invalsi hier. Het rechter deel van het gebouw is helaas tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen een afdeling van de Luftwaffe hier zat, vernield. Daar zijn dus geen fresco’s meer van bewaard gebleven. In het midden en links wel. Jammer is alleen dat prachtige fresco’s van Tintoretto verloren zijn gegaan. Wat een gebouw om in te werken! Op de terugweg stap ik nog even uit in Frascati zelf. Je kunt je goed voorstellen dat de mensen hier vroeger en nu graag zouden willen wonen: heldere, frisse lucht, tegen de berghelling aan gebouwd met een mooi uitzicht. Op mijn terugweg naar Rome verdwaal ik. Het kost me drie uur om weer thuis te komen. Daarom besluit ik mijn restaurantje te gaan opzoeken waar ik inmiddels al als vaste klant herkend word. Een vruchtbare dag vandaag die om een vervolg vraagt.