zaterdag, maart 12, 2005

van maandag 7 tot en met donderdag 10 maart

Maandag 7 maart 2005

Vanochtend heb ik niet veel gedaan. Brigitte heeft vandaag haar ‘vrije dag’, dat houdt voor haar in dat ze als ‘casalinga’ het huishouden moet doen. We drinken samen koffie en hebben een lang en indringend gesprek over van alles en nog wat. Daarna ga ik met Orso een krantje kopen en neem gelijk een bloemetje mee voor Brigitte. Helaas laten de Nederlandse roosjes ’s avonds al hun koppetjes hangen. Ja, de Nederlanders weten wel wat ze aan buitenlanders verkopen. Ik lees wat artikelen in la Repubblica over de bevrijding van de Italiaanse journaliste Giuliana Sgrena en de tragische dood van de Italiaanse geheim agent die bij haar bevrijding bemiddeld heeft. Twee dingen vallen onmiddellijk op in de berichtgeving. Ten eerste de beschuldiging dat de Amerikanen eigenlijk niet hem maar haar hadden willen doden omdat ze als communistisch journaliste negatief over de Amerikanen in Irak schreef en mogelijk op het punt stond onthullingen te doen. Ten tweede de golf van patriottisme die het land overspoelt na de dood van de geheime agent. Zelfs de scholen moeten een minuut stilte in acht houden, iets wat Manlio onder protest doet. Hij vindt dit te veel rieken naar politiek patriottisme. Dat zal hem in deze streek met veel aanhangers van de Lega Nord niet in dank worden afgenomen. Ik maak vervolgens het verslag van gisteren af en daarna is het alweer ‘pastatijd’! Na de middagmaaltijd neemt Manlio mij mee naar zijn school. Vanmiddag heeft hij een gastspreker op bezoek die een lezing houdt over de Europese Grondwet. De leerlingen van twee examenklassen, bijna allemaal meisjes van rond de 19 jaar, zitten klaar met pen en papier om aantekeningen te maken. Ruim twee uur luisteren ze aandachtig en geïnteresseerd (en gedisciplineerd!) naar het verhaal van Sandro de Narte, ik vermoed een soort aio-student van de Rechtenfaculteit van de Universiteit van Padua. Hij spreekt langzaam en duidelijk waardoor het warempel ook voor mij nog te volgen is. Interessant wordt het als hij zegt dat de grondwet (grammaticaal vrouwelijk!) de belangrijkste wet is van een land waarin de volkssoevereiniteit tot uitdrukking gebracht is. Dat is iets anders dan het tekenen van een verdrag (grammaticaal mannelijk!), dat meestal iets specifieks betreft en ondergeschikt is aan de grondwet. De Europese Grondwet is een combinatie van beiden: een constitutioneel verdrag (en daarmee een travestiet!). Moet een dergelijke wet door een referendum worden bekrachtigd of niet? Eigenlijk zou je zeggen van wel, maar in Italië zijn er op twee gebieden geen referenda mogelijk: alles wat met belastingen te maken heeft (anders zouden de Italianen alle belastingwetten direct afschaffen …) en internationale verdragen. Omdat er in Italië bij uitzondering over de ratificatie van de Europese Grondwet tussen de linkse en de rechtse partijen vrijwel consensus bestaat, zal Italië dus geen struikelblok bij de invoering ervan vormen. Vlak voor etenstijd maken Manlio en ik nog een wandeling, waarbij hij kort de turbulente geschiedenis van Noord-Italië, en de Veneto in het bijzonder, van de laatste twee eeuwen vertelt. Van Napoleon, via de Oostenrijkse ‘dominionpolitiek’ (wettelijk gezag) en Cavour tot en met het irredentisme en de Eerste en Tweede Wereldoorlog: het is er hier stevig aan toe gegaan. Tijdens het warme eten komt Dante ter sprake. Leo heeft morgen een overhoring over de ‘Hel’ (Inferno) en wordt overhoord door Manlio. Hele passages worden uit het hoofd gedeclameerd door Manlio en vervolgens geanalyseerd. Ik vraag aan Leo of ze wel van deze teksten en verhalen houdt en het antwoord is bevestigend. In Italië bestaat ook hier consensus over: Dante is de belangrijkste dichter die letterlijk gekend moet worden op school, maar het is ook gewoon mooie literatuur die je voor je plezier leest. Mijn les die ik vandaag geleerd heb is dat het lijkt alsof Italianen het nooit met elkaar eens zijn, maar in werkelijkheid bestaat er meer overeenstemming over een heleboel zaken dan van tevoren gedacht. Zo ook met betrekking tot de historische canon, maar daarover later meer. De avond wordt besloten met het publiceren van de eerste bijdragen op de weblog, het aanvullen van de aantekeningen van vandaag en het voorbereiden van de dag van morgen naar Venetië en Treviso.

Dinsdag 8 maart

Het is prachtig weer, de zon schijnt volop. Tijd om er op uit te gaan. Vandaag staat Venetië op het programma. In drie kwartier ben je er met de trein vanuit Conegliano en voor nog geen 8 euro retour. De Canal Grande slingert zich als een S door de stad en vormt een natuurlijke scheidslijn tussen twee min of meer even grote delen van de stad. Ik wil de toeristische routes zoveel mogelijk vermijden en besluit door de steegjes naar de kerk van ‘i Frari’ te wandelen, een vast punt voor mij als ik in Venetië ben. De eenvoud van de kerk gevoegd bij enkele prachtige schilderijen van Titiaan en een juweeltje van Bellini (Pala di Pesaro) zorgt voor een weldadige rust. Bij het graf van Monteverdi kan ik het niet laten een madrigaal ter meerdere eer en glorie van de maestro te neuriën. Vanavond een Cd-tje van hem uit de koffer halen en opzetten. Helaas is het niet mogelijk bij het Palazzi Foscari, het oude universiteitsgebouw, naar binnen te gaan i.v.m. een verbouwing. Dan maar direct doorlopen naar een goed gesorteerde en niet al te dure boekhandel: la Toletta. En wat kom ik daar tegen? Het boek waar ik al een tijdje naar op zoek ben: een facsimile van Francesco Colonna’s Hypnerotomachia Poliphili uit 1499, weliswaar afgeprijsd, maar niet goedkoop. Toch maar niet doen. De weg wordt vervolgd en bij de Accademia steek ik de Canal Grande over. Na enkele omzwervingen kom ik waar ik wezen wil: het theater La Fenice. Dit theater is aan het eind van de 18e eeuw gebouwd, na een brand in 1836 in oude luister hersteld en na opnieuw een brand in 1996 is de feniks onlangs weer uit de as herrezen. Vandaar de naam: La Fenice III. Ik heb niet gereserveerd, dus waarschijnlijk zal het me toch wel niet lukken om binnen te komen. Maar je weet maar nooit. Mijn meest zielige gezicht opgezet en gevraagd: ‘Sono solo e sono venuto di Paesi Bassi per vedere la Fenice, è possibile che …’ enz. enz.. De vrouw achter de balie kijkt me even aan, maakt mij met veel handgebaren duidelijk dat reserveren noodzakelijk is, dat er op zijn vroegst overmorgen pas plaats is (ze laat even een stilte vallen) en … dat ik over drie minuten met een groep Italiaanse bejaarden naar binnen kan. Joepie! Wat een overrompelende indruk maakt dit theater op me. Renzo Piano heeft zijn uiterste best gedaan het weer in zijn oude glorie te herstellen (o.a. met hulp van foto’s én een oude film van Visconti!). De akoestiek schijnt geweldig te zijn. Na deze sensatie vervolg ik mijn weg naar de Piazza San Marco. Toeristischer kan niet. Gelukkig is het er veel minder druk dan in de zomer. Bovenop de Campanile heb ik een mooi uitzicht over de hele stad. In de San Marco klim ik eerst naar boven. Daar staan de vier originele beelden van de steigerende paarden in een overdekte ruimte tentoongesteld. Enkele afgietsels daarvan sieren nu de voorgevel. Het uitzicht op het plein, maar vooral ook op het interieur van de kerk is adembenemend. Het doet me denken aan de mozaïeken in Ravenna en Palermo, waar eveneens veel byzantijnse invloeden terug te vinden zijn. Daarna loop ik nog even beneden door de kerk om uiteindelijk te eindigen bij de Pala d’Oro, het gouden altaarstuk, versiert met ongelooflijk veel edelstenen. Tussen die edelstenen zijn allemaal heiligen geschilderd. Tot mijn verbazing zie ik daar tussenin St. Naum staan. De plaats waar deze heilige begraven ligt, bij het meer van Ohrid in Macedonië, op de grens met Albanië, heb ik in 2000 en 2002 bezocht, vandaar dat ik hem meteen herken. Het wordt tijd om weer naar het station te gaan. Op de terugweg toch maar besloten om nog een keer bij la Toletta langs te gaan en het boek te kopen. Per slot van rekening stamt de eerste druk uit Venetië en áls je dan de kans hebt dit boek op dezelfde plaats te kopen, tja, dan weet je het wel … .
Om 17.30 uur had ik met Manlio afgesproken in Treviso. Hij staat er keurig op tijd. Samen lopen we naar de school ‘G. Giorgi’, een zogenaamde I.P.S.I.A.-school (= Istituto Professionale di Stato Industria en Artiginato (=ambacht)). Hier hebben we een afspraak met mevr. Nara Ronchin, lerares geschiedenis aan een soort VMBO-school. Ze ontvangt ons hartelijk in haar werkkamer. Enthousiast laat ze zien hoe ze het vak geschiedenis op deze dag- en avondschool georganiseerd heeft. Ze heeft de didactische aanpak van Antonio Brusa overgenomen (hem zie ik half april in Bari, waar ik bij hem thuis logeer). Omdat hier veel drop-outs en allochtone leerlingen tweede kansonderwijs volgen, heeft zij de didactische aanpak van het vak geschiedenis daarop aangepast. De nadruk ligt vooral op inzicht en vaardigheden. De leerlingen moeten rondom een zelf gekozen onderwerp informatie zoeken en die informatie van commentaar voorzien. Meestal betreft het een hedendaags, maatschappelijk probleem waar vanuit de verschillende vakdisciplines naar gekeken wordt. Er moet altijd een historische component bij zitten. De aanpak is probleemgericht en pluriform, d.w.z. meerdere visies staan naast elkaar. De benadering doet me denken aan maatschappijgeschiedenis: kenmerkende aspecten van maatschappijtypen moeten herkend en beschreven worden (bv. de overgang van een agrarisch-stedelijk naar een stedelijk-industrieel maatschappijtype, maar ook een vergelijking van de manier van leven in de prehistorie met de manier van leven van bijvoorbeeld aboriginals in Australië). Door deze vakoverstijgende probleemgerichte benadering is het nodig dat er tweewekelijks overleg plaats vindt met de collega’s van de andere vakken die ook allemaal meedoen. Om die vergaderingen mogelijk te maken, zijn de lestijden teruggebracht van 60 naar 45 minuten. Deze aanpak werkt zo goed dat niet alleen vroegtijdige schoolverlaters in de avonduren terugkomen, maar heeft ook tot gevolg dat het aantal leerlingen voor de avondschool is toegenomen van 30 naar meer dan 250 in een paar jaar tijd. Het programma is voor de dag- en avondschool hetzelfde. IPSIA is een Scuola Media Superiore. De leerlingen komen hier op 14-jarige leeftijd binnen en kunnen óf na drie jaar óf na vijf jaar de school verlaten met een diploma. De leerplicht geldt officieel tot 16 jaar. Zou je dan de school verlaten, heb je dus niets. Het vak geschiedenis wordt in alle leerjaren onderwezen. De eerste drie jaar overzichtsgeschiedenis (‘canon’-achtig), de laatste twee jaar via een projectmatige aanpak zoals hierboven beschreven, waarbij lokale geschiedenis of omgevingsgeschiedenis een belangrijke rol speelt. Het is zelfs mogelijk na deze vijf jaar naar de universiteit te gaan, maar bijna niemand maakt daar gebruik van. Geschiedenis wordt als een belangrijk vak beschouwd omdat het onderdeel is van het mens-zijn, waarbij het menselijk handelen centraal staat. Het gaat in het leven per slot van rekening om ‘verità e virtù’ (letterlijk: waarheid en deugd), Balkenende zou het normen en waarden noemen. De benadering van de onderwijshervormer Bertagna, die ik overmorgen ontmoet in Brescia, wordt door haar verworpen. Die wil volgens haar alleen maar de feiten terug en kennis. De wereld om je heen moet begrepen worden zodat mensen meer begrip voor elkaar en elkaars handelen krijgen (inzicht) waardoor er ook meer vrede (‘pace’) kan komen. Een erg idealistische instelling misschien, maar als benadering voor deze leerlingen niet onbegrijpelijk. We nemen afscheid met enkele stevige kussen, voor Manlio twee en ik maak er naar goed Hollandse gewoonte drie van. Voor de vrede is niets mij te veel … .

Woensdag 9 maart

Voor vandaag heb ik een al lang gekoesterde wens op mijn programma staan: Padua. Na twee uur treinen kom ik om 11 uur aan, opnieuw begeleid door een stralende zon die steeds meer warmte lijkt af te geven. De lente komt er aan! De eerste bezienswaardigheid zal tevens het hoogtepunt van de dag zijn, dat weet ik al van te voren: de Scrovegnikapel! Veel over gelezen, maar nog nooit in het echt gezien. Na vele jaren van restauratiewerkzaamheden is het weer mogelijk om tegen een forse prijs in kleine groepen kortstondig naar binnen te gaan. Als een kleine jongen begint mijn hartje te bonzen! Maar wat een teleurstelling als ik bij de ingang tussen een stel schreeuwende schoolkinderen terecht kom en ik vervolgens eerst in een ander gebouw een ticket moet kopen. Opnieuw proberen dus. Omdat er niet veel toeristen zijn in deze tijd van het jaar, ben ik zo aan de beurt. Om de 15 minuten worden er groepen doorgelaten en nu zit ik in een groep van …. twee personen, mezelf meegerekend! Een buitenstaander kan zich niet indenken wat het betekent om vrijwel alleen in die kapel te staan en de werkelijk sublieme schilderingen van Giotto nu zo tastbaar dichtbij te hebben. Met eigen ogen kun je zien dat in Italië de Middeleeuwen met Giotto al in 1300 afgelopen zijn: er zit diepte in de schilderingen, de figuren zweven niet meer, de mensen tonen emoties, zijn duidelijk herkenbaar en onderling verschillend, de kleuren zijn helder en soms zelfs gedurfd. Wat als afbeelding het meest blijft fascineren is natuurlijk de interpretatie van de hel, met de mensenverslindende Lucifer in het middelpunt. Het doet me denken aan de beschrijving van de hel in Dante’s Inferno. Zou Dante vóórdat hij begon met zijn Divina Commedia deze schildering van Giotto al gezien hebben? M.a.w. zou hij erdoor geïnspireerd kunnen zijn? Ik weet dat hij Giotto genoemd heeft in een van zijn verzen en ik weet dat het tijdgenoten zijn, maar of ze elkaar ooit ontmoet hebben? Toch eens aan Frans van Dooren vragen. Hoe het ook zij, in plaats van de talrijke prachtige tekeningen van Gustave Doré is deze ene schildering van Giotto voldoende om een duidelijk beeld te krijgen van de toenmalige opvattingen over de Hel. En afschrikwekkend tegelijkertijd. Je kunt je voorstellen dat je er in die tijd beter aan deed om gelovig te zijn, of, anders gezegd, dat het bijna onmogelijk was om niet gelovig te zijn. Met hetzelfde ticket mag ik vervolgens het stedelijk museum van de Eremitani in, maar behalve het ‘portret van een jonge Senator’ van Giovanni Bellini kan het museum me niet bekoren: te veel, een allegaartje bij elkaar en na de kapel een ongelijke strijd natuurlijk. Op naar de Eremitani-kerk dan maar, gebouwd voor de kloostergemeenschap van de Augustijnen-Heremieten in de 13e/14e eeuw. Na een geallieerd bombardement in 1944 is de mooiste schat van de kerk grotendeels verdwenen: de 15e eeuwse fresco’s van Andrea Mantegna. Ik loop verder richting stadscentrum en kom uit bij het Palazzo della Ragione, een groot gebouw, bijna een hal eigenlijk, uit de 13e/14e eeuw, vroeger gebruikt als rechtszaal. Buiten is er de bedrijvigheid van de groente-, fruit- en vismarkt. Je waant je bijna in de Middeleeuwen! Tijd om door te lopen naar de Basilica di San Antonio. Die ken ik nog uit mijn eigen jeugd als mijn moeder iets kwijt was: ‘Heilige Antonius, beste vrind, zorg dat ik … (vul maar in wat ze kwijt was) weer terug vind’. Voor haar een beeldje van onze vrind gekocht (als ze dat maar niet kwijt raakt). Met verwondering heb ik gekeken naar de manier waarop mensen hem aanbidden: in devotie geknield, met gesloten ogen de grafsteen aanrakend en talloze gebedjes prevelend. Zijn graf is volgehangen met wensen en bedankjes, velen voorzien van foto’s, sommige zelfs van auto’s die helemaal in elkaar gereden zijn en waarvan onze vrind de inzittenden toch echt niet meer levend kan maken. Van binnen heb ik wel eens mooiere kerken gezien. Van buiten is het echter een merkwaardig geheel: drie grote ronde koepels, vijf verschillende soorten torentjes, opzij en van voren driehoekige façades, een merkwaardig soort gotiek, maar ook weer niet onaardig. Op het plein vóór de kerk staat het ruiterstandbeeld van Gattamelata, gemaakt door Donatello. Het schijnt het eerste vrijstaande bronzen ruiterstandbeeld te zijn sinds de klassieke oudheid. Vervolgens staat de universiteit van Padua op het programma: ‘Il Bò’ (de os), genoemd naar een albergo die vroeger op die plek heeft gestaan. De universiteit is na Bologna en Parijs de derde oudste van Europa. De bekendste docent was Galileo Galilei, die hier van 1592 tot 1610 natuurkunde doceerde. Tijdens een korte rondleiding krijgen we het anatomisch theater te zien dat rond 1600 gebouwd werd door de patholoog Girolomo Fabrizi d’Acquapendente. Het bestaat uit zes boven elkaar gelegen houten galerijen met ongeveer 300 zitplaatsen, een werkelijk fascinerend bouwwerk. De lijken werden hier voor het oog van de studenten bij kaarslicht ontleed. Helaas hebben we het houten katheder waaraan Galileo Galilei doceerde niet meer kunnen zien vanwege diploma-uitreikingen. Studenten die hun doctoraal behaald hebben, gaan uit hun bol en op straat zingen ze schunnige liederen die de tolk helaas niet wil vertalen. Schuin tegenover de universiteit ligt het beroemde Caffè Pedrocchi. Het ziet er sjiek en niet goedkoop uit, maar dat weerhoudt me er niet van om met mijn smerige bergwandelschoenen naar binnen te lopen en er een lekker kopje koffie met gebak te nemen. Ik beëindig mijn rondwandeling door Padua met een kijkje in het universiteitsgebouw Liviano waar Manlio vroeger filosofie en geschiedenis gestudeerd heeft. Tot mijn verassing zie ik dat er op hetzelfde moment een college ‘geschiedenis van de Nederlandse literatuur’ wordt gegeven in het Italiaans. Normaal gesproken ben ik wel zo brutaal om in de collegebanken aan te schuiven, maar in dit geval besluit ik toch maar de trein terug te nemen naar Conegliano. Het is al vrij laat en ik ben behoorlijk moe geworden. Bovendien heb ik vandaag zoveel nieuwe indrukken opgedaan dat ik bang ben de ‘ziekte van Stendhal’ te krijgen. Gelukkig brengt de pasta van Brigitte en de Prosecco van Manlio weer nieuw leven in me …

Donderdag 10 maart

Vandaag heb ik om 12.30 uur een afspraak in Brescia met een man die algemeen bekend staat als de verantwoordelijke persoon in Italië op het gebied van de uitvoering van de Italiaanse onderwijshervormingen: Giuseppe Bertagna. Rond het middaguur kom ik na een reis van drie uur in Brescia aan. De stad zelf heeft niet zo veel te bieden. Het is vooral een industriestad, maar beschikt wel over een klein karakteristiek historisch centrum. Op het Piazza della Loggia zit het VVV-kantoor, altijd het eerste gebouw dat je in een onbekende plaats moet bezoeken. Met een tas vol toeristische informatie, daar is men hier niet krenterig mee, ga ik weer naar buiten. Heel bijzonder is de Torre dell’Orologio, een grote oude klok met wijzerplaat die tussen de gevels is aangebracht en een kopie blijkt te zijn van een dergelijke toren op het San Marcoplein in Venetië. Via de Via dei Musei kom ik plotseling terecht bij de Tempio Capitolino, een goed bewaard restant van een Romeinse tempel voor de goden Jupiter, Juno en Minerva. Verderop ligt het complex van de Musei Civici, waar de straat zijn naam aan te danken heeft. Het is een oud kloostercomplex, de Santa Giulia, waar momenteel een tentoonstelling van Monet te zien is (met enkele schilderijen van het Kröller Möller uit Otterlo!). Jammer genoeg heb ik te weinig tijd voor een bezoek. Bovendien stikt het hier weer van rumoerige schoolklassen. Dat moet ik de Italianen nageven: ze doen ontzettend veel in het onderwijs aan cultuur, inclusief museumbezoeken. Daarna wordt het tijd om de christelijke educatieve uitgeverij op te zoeken waar Bertagna werkzaam is. Hij blijkt een beminnelijke man te zijn, zo te zien tegen de 60. Hij spreekt nauwelijks een woord over de grens, dus dat betekent alle zeilen bijzetten. Hier volgt een samenvatting van het gesprek. Bertagna somt enkele grote problemen op waar Italië in het onderwijs mee te maken heeft:
1) er zijn te veel leerkrachten die alleen maar inhoudelijk met hun vak bezig zijn en te weinig didactisch geschoold (er zijn dus te weinig didactisch opgeleide leerkrachten geschiedenis);
2) de politieke scheidslijnen zijn zeer groot. Alles wordt langs de politieke meetlat gelegd van ‘links’ (hij spreekt van ‘marxisten’!) en ‘rechts’. Er wordt niet meer genuanceerd gedacht in het belang van het onderwijs..
3) de ‘marxisten’ willen van iedereen intellectuelen maken. Het gevolg is dat a) er te veel studenten zijn die niet thuis horen op een universiteit b) er te weinig mensen opgeleid worden die een beroep met hun handen kunnen uitoefenen (‘terwijl de industrie toch de basis van de welvaart in ons land is’). Hij verzucht dat iedereen maar wil studeren op een universiteit en dat er niemand nog wil werken in dit land … . Het Ministerie van Onderwijs, en Bertagna zelf ook, is voorstander van een tweedeling in het onderwijs. Enerzijds de Lycea (met 40% van alle leerlingen; nadruk op theoretisch onderwijs, maar daarnaast ook iets praktisch) en anderzijds een soort VMBO (60% van alle leerlingen; nadruk op de praktijk en minder op de theorie). Hij zegt er wel nadrukkelijk bij dat iedereen in Italië vindt dat naast de Italiaanse taal geschiedenis in alle vormen van voortgezet onderwijs een verplicht vak moet zijn, zoals het dat nu ook al is (tot 18 jaar). De huidige verdeling van de leerlingenpopulatie is echter een andere: 75% is met algemene theoretische vorming bezig en heeft het recht om naar de universiteit te gaan (Licei 40% en Istituti Tecnici 35%), de rest is voorbereidend beroepsonderwijs (ISPRO 20% en CFP, een soort leerwerktraject, 5%). Met name die laatste vorm van onderwijs, CFP (= Centri Formazione Professionale), leidt tot grote meningsverschillen. Niet alleen gaan er volgens sommigen veel méér leerlingen naar toe dan Bertagna zegt (schattingen lopen uiteen van 15-20%), maar er blijft nog maar zo weinig algemene vorming over dat volgens velen de leerplicht daarmee voor deze groep leerlingen is afgeschaft en teruggebracht tot 14 jaar. De rest van de week moet er stage gelopen worden (lees: werken in een bedrijf). Bertagna stelt dat de leerplicht hiermee juist is verlengd tot 18 jaar, omdat het leerwerktraject tot die leeftijd doorloopt. Ook hier zijn de politieke scheidslijnen duidelijk zichtbaar. In 2003 is een wet aangenomen die de hierboven beschreven onderwijshervormingen in het voortgezet onderwijs mogelijk moet maken. Vervolgens duurt het nog een tijdje alvorens een wet daadwerkelijk wordt geïmplementeerd. Met ingang van het schooljaar 2006 zouden alle scholen hiermee een aanvang moeten hebben gemaakt. (Manlio vertelt me later dat er na invoering van de onderwijshervormingswet het afgelopen jaar in het basisonderwijs al zoveel protesten zijn geweest dat 90% het gewoon weigerde ui te voeren. Dat belooft wat voor deze nieuwe wet!) Er moeten ook nieuwe lerarenopleidingen komen die opleiden voor deze nieuwe onderwijsvormen. De eerste opleidingen gaan van start in 2006 en leveren de eerste docenten in 2011 af. In de tussentijd geldt een overgangssituatie. Hij geeft aan dat de grootste risico’s in het onderwijs fragmentarisering én polarisatie op lokaal en regionaal niveau zijn. Eigenlijk is het dat nu al (vergelijk bijvoorbeeld Noord en Zuid-Italië maar eens met elkaar). Om dat te voorkomen zijn er volgens hem drie dingen nodig (en hij overhandigt mij een boek waar het in beschreven staat): 1) de regering zal moeten zorgen voor één nationaal onderwijssysteem met duidelijk gedefinieerde leerstandaarden en eindtermen 2) (let op, Citoyens!) er zal een systeem van controle en validering moeten komen om naleving te garanderen. Daarvoor is eerder een ‘Nationaal Instituut voor Validering’, het zogenaamde Invalsi (= l’Istituto Nazionale per la Valutazioni del Sistema di Istruzione), in het leven geroepen. Onder de vorige minister van onderwijs (Berlinguer) werd dit instituut versterkt. Het zou moeten zorgen voor het garanderen en naleven van het onderwijsniveau en de ‘onderwijscultuur’ 3) er moet voldoende ondersteuning zijn om deze onderwijshervorming te laten slagen. Alle Italiaanse burgers krijgen een garantie van minstens 12 jaar onderwijs. Die garantie kan alleen worden gewaarborgd als er enkele onderwijsondersteunende instituten komen die zorgen voor ‘verificatie en controle’, zoals Invalsi. Hier liggen geweldige kansen voor het Cito!! Na het lezen van de company description van het Cito, die ik gelukkig in het Italiaans mocht laten vertalen, raakt ook hij enthousiast. Hij belooft mij te introduceren bij een van de belangrijkste mensen van Invalsi, Giovanni Trainito. Het kantoor staat in Frascati, ongeveer 30 km. van Rome. Daar moet ik beslist langs gaan als ik in Rome zit. Ik krijg zelfs het privé-nummer van de heer Trainito! (voor de liefhebbers, ze hebben ook een website: www.invalsi.it). Er zijn momenteel toetsen ontwikkeld voor Italiaans, Engels en Wiskunde. In de toekomst zullen er ook voor sociale vakken als geschiedenis toetsen gemaakt gaan worden (hij laat nog een keer merken hoe belangrijk dat vak in Italië gevonden wordt; het hoort gewoon bij het mens-zijn, zegt hij). Na anderhalf uur sta ik buiten: een rode kop vanwege de inspanningen die de taalverschillen met zich mee hebben gebracht en drie kilo bagage extra vanwege alle boeken, tijdschriften en stencils die ik van hem gekregen heb. Ik besluit mezelf te trakteren op de grootste pot bier die ze op een terrasje kunnen aanbieden en gezeten in een warm voorjaarszonnetje heb ik het gesprek als een overwinning gevierd.