maandag, maart 14, 2005

vrijdag 11 tot en met maandag 14 maart

Vrijdag 11 maart 2005

Vandaag heb ik rustig aan gedaan na de drukte van de afgelopen dagen. De ochtend heb ik doorgebracht met het verwerken van de aantekeningen van het logboek. Verder heb ik met Brigitte koffie gedronken en het Nederlandse en Italiaanse onderwijssysteem met elkaar vergeleken. Beide systemen hebben zo hun voor- en nadelen. Het komt er vooral op neer dat het Nederlandse onderwijssysteem moderner en flexibeler is, meer met vaardigheden en competenties werkt en ook meer aansluit bij toekomstige Europese ontwikkelingen. Het Italiaanse onderwijssysteem is meer op de vakinhoud gericht en kent vooral aan de cultuur- en mens- en maatschappijvakken een groot gewicht toe. Bovendien is hier meer een traditie van mondelinge overhoringen en examineringen. Na de pasta bezoeken we in Conegliano de school ‘Marco Fanno’, een echte Scuola Professionale per il Commercio, waar ze voor de administratieve sector opleiden. Daar ontmoeten we Annamaria Schiavetto, een lerares geschiedenis. Manlio kent haar nog van vroeger. Het schoolgebouw doet futuristisch aan, maar blijkt bij nader inzien een aan betonrot leidend wangedrocht te zijn. De naargeestigheid straalt er van af en dat beeld blijft me de rest van de middag bij. Annamaria vertelt dat ze ruim tien jaar geleden bewust voor deze school had gekozen omdat ze enthousiast was geraakt over het experimentele geschiedenisproject ‘1988’, dat officieel voor dit schooltype landelijk in 1992 werd ingevoerd. Het programma werkte toen goed, nu niet meer. De lessen Italiaans (4 uur in de week) en geschiedenis (2 uur) worden vanwege de onderlinge verwantschap (!!) door één en dezelfde docent gegeven. Ze praat in rap Italiaans de frustraties van zich af. De school fuseerde, de leerlingen veranderden, zij krijgt van niemand op school ondersteuning, kortom: op dit moment deugt er niets. En dat straalt ze ook uit. Mamma mia wat een pessimisme, terwijl ze vroeger zo enthousiast schijnt te zijn geweest. Voor mij in ieder goed om de andere kant van de medaille te zien. Deze jongeren hebben geen interesse meer in geschiedenis, zegt ze. Eigenlijk zijn ze in niets geïnteresseerd wat met school te maken heeft. In tien jaar tijd heeft ze meegemaakt dat de leesvaardigheid sterk is afgenomen, er een enorm motivatieprobleem is ontstaan en dat leerlingen gewoon geen zin hebben om te werken (uitgezonderd allochtone leerlingen, in het bijzonder Aziatische leerlingen, die willen nog wel). De lethargie slaat nu ook over op de leerkrachten. De tijdgeest is natuurlijk ook aan het veranderen en deze jongeren willen vooral ‘vrijheid, geld en kunnen doen en laten wat ze willen’ (‘Vogliamo tutto e lo vogliamo ora!’, of: ‘tutto e subito’). Er is geen land in Europa waar per hoofd van de bevolking zoveel TV gekeken wordt en waar zoveel mobiele telefoons gebruikt worden als in Italië en ik krijg het gevoel dat alles op deze school samen komt. Tegelijkertijd speelt de fusie en de zogenaamde autonomie die aan de scholen gegeven is deze school parten. Autonomie voor een school in Italië houdt alleen pedagogische autonomie in. De landelijke overheid betaalt de salarissen, de provinciale overheid zorgt voor het gebouw. De school zelf heeft vrijwel geen financiële ruimte om eigen beleid te maken. Het is ook om mismoedig van te worden. Als ik Annamaria was zou ik zo snel mogelijk een rijke vent uit Noord-West Europa trouwen of anders heel snel iets anders gaan zoeken. We besluiten met zijn drieën maar een glaasje water in een café te gaan drinken. Na alle mooie verhalen van de laatste dagen was dit een ontnuchterende, maar ook een reële en in zekere zin een verfrissende ervaring. Leerlingen lijken net mensen en die heb je overal over de wereld. Ook in Nederland. Op de terugweg rijden we even bij Brigitte langs. Zij doet vrijwilligerswerk in de Derde Wereldwinkel van Conegliano. Waar ze de energie en de puf vandaan haalt weet ik niet, maar ik neem mijn petje voor haar af: proberen overeind te blijven als Nederlandse in Italië met een fulltime baan als lerares Duits, een huishouden, twee keer per dag koken, een man, kind en hond om voor te zorgen (die Nederlandse gast nog niet eens meegerekend) en dan dit vrijwilligerswerk er nog bij doen. Bovendien voelt ze zich al een week ziek en gaat uit plichtsbesef toch door met werken. Eergisteren zat ze tot diep in de nacht chocolaatjes in te pakken voor de Derde Wereldwinkel. Ik wilde er 100 bestellen ter ondersteuning van het goede doel, maar wilde haar door dit onverwachte overwerk niet in een diepe crisis storten. Bij thuiskomst bleek Ivo Mattozzi, voorzitter van de Italiaanse vereniging van geschiedenisdocenten, een boodschap te hebben ingesproken. Morgen zien we hem, samen met Vincenzo Guanci uit Rome, in een café in Venetië. Ik ben blij dat Manlio mee gaat, want tegen één Italiaan aanpraten die geen Engels spreekt is al moeilijk, laat staan twee.

Zaterdag 12 maart

De ochtend gebruik ik om rustig te ontbijten, Elly en mijn moeder te bellen, de hond uit te laten en wat briefkaarten te schrijven. Verder lees ik in de boekjes en tijdschriften die ik van Giuseppe Bertagna heb gekregen. Ik wil Ivo Mattozzi en Vincenzo Guanci, geschieddidactici aan de universiteit van Bologna en voorzitter respectievelijk lid van de Italiaanse vereniging van geschiedenisdocenten Clio ‘92, vanmiddag met enkele uitspraken van hem confronteren. Vooral de uitspraak van Bertagna dat er sprake is van een scheefgroei in Italië: te veel jongeren willen studeren, doen er te lang over, halen geen diploma’s, vinden geen aansluiting op de arbeidsmarkt, terwijl er een tekort is aan goed opgeleide arbeidskrachten. Manlio en ik vertrekken na de pasta naar Venetië. Na aankomst drinken we eerst in een typisch oud koffiehuisje aan de Rio terrà lista di Spagna een espresso. Daarna lopen we door naar de Santi Giovanni e Paolo waar we om 15.30 uur in een café afgesproken hebben met Mattozzi en Guanci. Ik herken Mattozzi onmiddellijk (we hebben elkaar ontmoet tijdens een Euroclio-conferentie in Bologna in 1993) als hij vóór het café in gezelschap staat te praten. Hij ziet mij ook en prompt vallen mij twee omhelzingen ten deel. We gaan in het café in een hoekje zitten, bestellen koffie en zitten al snel te praten over het geschiedenisonderwijs. Opnieuw blijkt hoe belangrijk geschiedenisonderwijs in Italië is: het is geen onderwerp van discussie en het is algemeen geaccepteerd als onmisbaar onderdeel van algemene vorming voor ALLE leerlingen tot 18 jaar. Natuurlijk is er wel een debat gaande over de inhoud en de didactische benadering van het vak. Dat is een gevoelig punt. Er zijn slechts weinig docenten opgeleid voor het vak geschiedenis, laat staan dat ze enige vakdidactische scholing hebben gehad. In de meeste gevallen krijg je een bevoegdheid voor geschiedenis als je het als bijvak hebt gedaan bij de studie Italiaans of filosofie. Deze twee vakken zijn de hoofdvakken en dat houdt meestal in dat op scholen de docenten Italiaans en filosofie ook geschiedenis geven. In de praktijk betekent dit dat als men bijvoorbeeld bij de les Italiaans bezig is met de behandeling van Dante de geschiedenis gebruikt om de late Middeleeuwen en het begin van de Renaissance te behandelen. Bovendien ontbreekt de specifieke geschieddidactische benadering tijdens de lessen. Geschieddiactiek wordt sowieso in Italië niet of nauwelijks onderwezen. Mattozzi en Guanci vormen een uitzondering hierop. Dan volgt een gesprek over de canondiscussie. Er is nauwelijks een debat over de canon in Italië. De canon is gewoon wat er in de schoolboeken geschreven staat en daar is men het in grote lijnen over eens. Althans, dat lijkt zo te zijn. Bij navraag blijkt dat de canon veel te veel politieke geschiedenis bevat en te weinig gaat over sociaal-economische zaken die concreet en herkenbaar zijn voor leerlingen, hun interesse wekken en aansluiten bij hun belevingswereld. En natuurlijk hoort daar ook politieke geschiedenis bij, maar die zou meer aansprekend gebracht moeten worden door bijvoorbeeld een narratieve benadering of een probleemgerichte benadering. Natuurlijk is de behoefte van een dergelijke benadering bij de scuole professionale het grootst. Mattozzi is gevraagd door scholen in Bergamo om advies te geven in de onder- en bovenbouw op het gebied van de geschieddiactiek bij deze scholen. In de bovenbouw van de scuole professionale is de canon gereduceerd tot de laatste vijftig jaar. Dat vindt hij een slecht idee; vanaf 1870 was beter geweest, want dan kun je de Italiaanse eenwording (de tijd na het Risorgimento), de Eerste en de Tweede Wereldoorlog erbij betrekken en die zijn ook voor deze leerlingen noodzakelijk om het heden te kunnen verklaren. Wat ze wel goed vinden is dat de geschiedenis in de bovenbouw beperkt blijft tot nationale en Europese geschiedenis maar geen wereldgeschiedenis, dat staat te ver van de leerlingen af. Hiermee zijn we aanbeland bij het motivatieprobleem van leerlingen in de bovenbouw. Dat kan allen maar opgelost worden door af te stappen van louter politieke geschiedenis, door een betere geschieddidactische onderbouwing van docenten, door een actieve rol van de school in het stimuleren van buitenschoolse activiteiten, maar ook door binnen de school leerlingen actiever te laten bezig zijn met het doen van bijvoorbeeld onderzoekjes naar de lokale geschiedenis. De directies van scholen zullen een meer enthousiasmerende en stimulerende rol moeten gaan spelen en daar wil het op scholen nog wel eens aan ontbreken. De laatste politieke ontwikkelingen als het gaat om de onderwijshervormingen, stellen de heren niet gerust. Na de Scuola Media gaat iedereen door naar het vervolgonderwijs, maar 30% haakt af zonder diploma door na het bereiken van de leerplichtige leeftijd op 16-jarige leeftijd het onderwijs te verlaten. Wat het CFP (het leerwerktraject) betreft, de leerlingen die daarop zitten krijgen geen geschiedenis meer en ook veel andere algemeen vormende vakken niet meer na hun 15e jaar, omdat ze op die leeftijd de meeste tijd doorbrengen met werken in bedrijven. Dat brengt veel mensen ertoe te zeggen dat de leerplichtige leeftijd teruggebracht is tot 15 jaar. Ten slotte hebben we nog over het examensysteem gesproken. Zij zijn zeer geïnteresseerd in het Nederlandse systeem van toetsing. Op dit moment krijgen leerlingen in Italië op 7, 8 en 9-jarige leeftijd toetsen op het gebied van Italiaans, wiskunde en ‘scienze’ (een combinatie van natuur-, scheikunde en biologie). In klassen van het basisonderwijs in Bergamo begeleidt Mattozzi docenten die gezamenlijk geschiedenistoetsen maken die vooral kennis en vaardigheden combineren. Er zijn ook landelijke experimenten gaande met toetsen voor 15-jarigen. Mattozzi en Guanci zouden graag zien dat geschiedenis daar bij gevoegd wordt en reageren enthousiast als ik ze aanbied enkele voorbeelden van geschiedenisvragen uit de Cito-toets in een Engelse vertaling op te sturen. Eigenlijk zouden ze al graag zien dat ik bij een conferentie in juni hierover wat zou kunnen vertellen en een artikel voor het tijdschrift van Clio ’92 over de toetsingsproblematiek wil schrijven, maar dat vind ik iets te snel gaan. Eerst maar eens even met Invalsi in Frascati gaan spreken. Een toekomstige samenwerking Cito-Invalsi-Clio’92 lijkt me een uitstekend idee. Na afloop van het gesprek gaan we naar buiten om afscheid te nemen. Van beide heren wordt weer uitbundig kussend afscheid genomen, maar niet nadat Manlio een foto maakt van ons drieën waar ik tussen de heren in sta, gearmd en wel, vóór de leeuw van de kerk van de Santi Giovanni e Paolo en met Mattozzi die het Cito-tasje duidelijk zichtbaar voor de camera vasthoudt. Ik zie hem a.s. donderdag weer in Bologna. Manlio heeft deze bijeenkomst ook zeer gewaardeerd. Je kunt zien dat hij geniet van contacten op zijn vakgebied die verder gaan dan de eigen school. Hij zou een heel goed radertje in het Italiaanse toetsingsnetwerk kunnen zijn en niet alleen omdat hij als een van de weinige Italianen veel talen spreekt, inclusief Nederlands, maar ook omdat hij goede ideeën heeft en weet waar hij over praat.

Zondag 13 maart

Vanmorgen in de stralende lentezon een lange wandeling gemaakt van ruim twee uur met Manlio en Brigitte in de heuvels rondom Conegliano. Het was zelfs warm en ik moest de jas uit doen; de lente kan niet lang meer op zich laten wachten. Ik heb de hele familie getrakteerd op een lunch in osteria all’Antica Guizza. Deze overheerlijke hapjes, deze ‘cena fredda’ kostte me inclusief de wijn voor vier personen 35 euro. Daar kun je nog eens een gezin voor uit eten nemen! Na thuiskomst zijn Brigitte en ik met zijn tweeën nog op bezoek geweest bij Jeanine Raedts in Tovena, 15-20 km. van Conegliano vandaan. Jeanine adverteert op de Dante-site met B&B. Ik kende haar niet, maar het is wel grappig om de persoon te zien die achter (de mailtjes van) de advertentie zit. Ze blijkt een vrouw van rond de 40 te zijn, met een sterk Limburgs accent, maar die na haar tiende jaar met haar ouders naar Engeland verhuisd is en daar een universitaire studie in Oxford heeft gevolgd. Tijdens het toeren door Europa is ze in Noord-Italië blijven hangen, getrouwd met een Noord-Italiaanse dermatoloog en samen hebben ze vijf jaar geleden een dochtertje gekregen die ze tweetalig (Italiaans-Engels) opvoeden. De oude boerderij in Tovena hebben ze in stijl opgeknapt. Vooral in de maanden mei tot en met september zitten ze goed volgeboekt. Verder geeft ze nog Engelse les op een verpleegsteropleiding in Conegliano en vertaalt ze teksten voor een firma die pasta maakt. Een bezige bij dus die weet wat ze wil. Het was leuk om kennis gemaakt te hebben met haar. Bij thuiskomst nog even aan het logboek gewerkt tot plotseling de stroom uitviel en ik een deel van mijn teksten kwijt was. Brigitte verzuchtte dat ik nu wel kon zien dat we soms met een derdewereldland te maken hebben. Van de andere kant moet gezegd worden dat nog geen anderhalf uur later (op een zondag!), de elektriciteitsmaatschappij langs kwam om de boel te repareren. Na de zoveelste overheerlijke avondmaaltijd (hoe kan ik hier ooit afvallen) werd het tijd om afscheid te nemen van Leo en Manlio. Zij moeten morgen in alle vroegte naar school. Van Brigitte neem ik later afscheid; zij heeft de ochtend vrij om thuis te werken (…). Daarna ga ik op weg naar hun zoon Giovanni in Bologna voor het volgende avontuur. Wat heb ik hier een geweldige tijd gehad en wat heb ik geboft met een dergelijk fantastisch gastvrij gezin. Het had niet beter gekund. Grazie mille Santa Brigitta e Santo Manlio!

Maandag 14 maart

Na het ontbijt de boel ingepakt en in de auto geladen. Tjonge, wat is die weer volgeladen, daar zou absoluut niemand meer bij kunnen. Afscheid genomen van Brigitte en vertrokken richting Bologna, de eindbestemming voor vandaag. Het is wederom prachtig weer. Mijn eerste bestemming voor onderweg is Arquà Petrarca, de plaats waar Petrarca zijn laatste levensjaren doorbracht en begraven ligt. Vóór de kerk staat de grote, hoge sarcofaag van Petrarca. Het schijnt dat er zo’n kleine 400 jaar geleden in de sarcofaag is ingebroken en dat er sindsdien een arm vermist wordt. De steile straatjes naar boven benemen me de adem, maar dan sta ik uiteindelijk toch voor de ‘casa Petrarca’, het huis waar de beroemde dichter zijn laatste levensjaren heeft doorgebracht. Bij het gesloten hek staat een Italiaan die ook graag naar binnen had gewild, maar we zijn net te laat: de pasta zal wel ergens in het dorp voor de museumbeheerder klaar staan. Ik besluit dat voorbeeld te volgen, loop naar beneden en kies een restaurant uit op de naam: “De Laura”, door Petrarca zo mooi in zijn gedichten beschreven. Tijdens mijn maaltijd komt ook de Italiaan binnen die voor de gesloten poort stond. We hebben een zeer geanimeerd gesprek in het Italiaans. Hij komt uit Napels, is een financieel deskundige en wilde even van de drukke autoweg af om rust (en cultuur!) te zoeken. Een bijzonder aardige jongeman die natuurlijk een visitekaartje van mij krijgt. Dit zijn van die contacten waar je niet zeker van weet of dit in de toekomst nog wat kan opleveren. Na wat twijfel besluit ik na de maaltijd toch maar bij de auto te wachten tot het huis van Petrarca om 15.00 uur weer open gaat. Ondertussen lees ik verder in het boek van Geert Mak (‘In Europa’, speciaal mee gewacht met lezen tot deze reis). Door de Prosecco bij de maaltijd word ik wat doezelig en val zowaar even in slaap om daarna met een verbrande kop wakker te worden. Opnieuw helemaal naar boven gelopen waar na enig wachten voor het hek een vrouw tegen mij zegt dat tot 1 mei de toegang op maandag gesloten is. Er zit niets anders op dan te vertrekken. Nog even in Este uitgestapt om in het park binnen de kasteelmuren te lopen. Hier heeft het geslacht Este gewoond dat later in Ferrara zo’n grote rol zou spelen. Na vijf uur rijd ik het drukke Bologna in, bel Giovanni op bij de afgesproken plek en niet veel later is de bagage naar binnen gebracht en de auto geparkeerd. Hij woont in een studentenappartement niet ver van het centrum samen met nog drie andere studenten: zijn oude schoolvriend Dario, met wie hij op één kamer bivakkeert, zijn neef Marco en een Siciliaans meisje, Laura (Petrarca heeft me toch gehoord!). Van haar krijg ik de kamer voor de komende vijf nachten, een geweldige geste! Giovanni en ik lopen samen in het donker naar het centrum van Bologna, langs de oude universiteitsgebouwen, onder de beroemde arcaden door tot we plotseling bij de twee grote, scheve torens in het centrum aankomen, de Torre degli Asinelli en de Torre Garisenda, zo onvergetelijk beschreven in de Hel van Dante. Vlakbij de torens gaan we buiten op een terras zitten, drinken een flinke pot bier en kletsen gezellig bij. We gaan pas na 9 uur eten, de gebruikelijke tijd hier. Bij een studentenhuis hoort ook een studentenmaaltijd. Ik was even vergeten hoe dat allemaal ook alweer ging … . Na de maaltijd komt de whisky die ik van Tom gekregen had (dank namens alle studenten!) op tafel en we kletsen met zijn vieren aardig wat af, over de studie, de politiek, de toekomst. Je voelt je op zo’n moment jong en oud tegelijk. Dankzij neef Marco kan ik kosteloos op internet, lees en beantwoord mijn mail en publiceer mijn laatste bijdrage. Morgen staat Ravenna op het programma, een déjà vu waar ik naar uit zie.