zaterdag, maart 19, 2005

dinsdag 15 tot en met vrijdag 18 maart

Dinsdag 15 maart 2005

De zon schijnt om 8 uur mijn kamertje in; tijd om op te staan. Giovanni heeft al koffie gezet en lekkere gevulde croissants gehaald. We nemen de auto naar Cesena. Het stadscentrum stelt niet veel voor, maar we zijn op zoek naar de Biblioteca Malestiana. Wouter Roelands van de gelijknamige boekhandel in Nijmegen (voorheen de Oude Mol) adviseerde mij eens hier naar toe te gaan en hij had volkomen gelijk. De bibliotheek is gebouwd tussen 1447 en 1452. De bibliotheek is genoemd naar de opdrachtgever Malatesta Novello, de laatste stadsheer van Cesena en het werk is uitgevoerd door Matteo Nuti. De Franciscaner monniken wilden graag een bibliotheek en daar heeft Malatesta voor gezorgd, waarmee het een van de oudste openbare leeszalen ter wereld is geworden. Als de twee prachtig bewerkte houten deuren met twee grote sleutels opengemaakt worden, wordt de oude leeszaal voor ons ontsloten. Het is echt een juweeltje. Links en rechts van het middenpad staan rijen met 29 banken achter elkaar opgesteld waarin per vakgebied, zoals filosofie, theologie of rechten, oude vakboeken met kettingen aan de banken zijn vastgemaakt. In de ruimte tegenover de leeszaal, het vroegere scriptorium, bevindt zich de Biblioteca Piana. Dat was de privé-bibliotheek van de uit Cesena afkomstige paus Pius VII Chiaramonti. De ruimte wordt nu gebruikt voor een permanente tentoonstelling met prachtige bijbels en met miniatuurafbeeldingen bewerkte Gregoriaanse gezangboeken. Tot mijn verbazing zie ik dat er vele boeken gemaakt zijn door een zekere Enrico di Amsterdam, mij volkomen onbekend. Het geheel was een bezoek aan de stad meer dan waard. Nog even een mooi verhaal over de naam Malatesta. Die naam behoorde in de 13e eeuw tot een belangrijke familie uit Rimini. Een van de Malatesta’s komt voor in de tweede cirkel (de onkuisheid) van Dante’s Hel. Er gaat een ontroerend verhaal achter schuil. Francesca da Polenta en Paolo Maletesta lezen samen het verhaal over Lancelot, de ridder die Guinevere, de vrouw van koning Arthur, beminde. Tijdens het lezen worden ze ‘overweldigd door hun gevoelens’. Nou komt dat wel vaker voor, ware het niet dat Francesca al getrouwd was met … de broer van Paolo, Giovanni. En dat betekende letterlijk het einde van beide. Een van de mooiste passages die ik ken uit de Divina Commedia.
We besluiten door te rijden naar Ravenna en daar een hapje te eten niet ver van de graftombe van Dante verwijderd. Een vriendin van Giovanni die uit Ravenna komt had ons het adres aangeraden en ook dit blijkt een voltreffer te zijn. Het ‘Ca’de’ Vén’ aan de Via Corrado Ricci 24 blijkt sinds 1975 zijn deuren geopend te hebben in een gebouw daterend uit 1542 en gebouwd door kapitein Cesare Rasponi di Savarna. Het is een grote ruimte met een lees-, eet- en drinkgedeelte. Daar eten we een plaatselijk brood en drinken een glas wijn. Na de lunch beginnen we onze toer door Ravenna met San Vitale, een achthoekig kerkgebouw uit 548 met geweldig dikke zuilen waarop de koepel rust. Ik ben hier twee jaar geleden al een keer geweest tijdens de jaarlijkse conferentie van Euroclio in Bologna, maar het blijft grote indruk op mij maken, vooral de mozaïeken. Die zijn ook terug te vinden in het nabij gelegen gebouwtje dat als mausoleum gediend zou hebben voor Galla Placida, dochter van keizer Theodosius I, die tot 395 het Romeinse Rijk bestuurde. Vooral als de deuren dicht gedaan worden komen de mozaïeken helemaal tot hun recht. Bekend zijn de twee duiven die op de rand van een waterschaal zitten. Het is vooral de intimiteit van dit gebouwtje dat me bekoort. Hierna gaan we naar de graftombe van Dante Alighieri, als bestuurslid van Dante Nijmegen natuurlijk een must om naar toe te gaan. De daarachter gelegen San Francescokerk uit de 10e/11e eeuw is vooral een bezoek waard vanwege de lager gelegen crypte. Vanwege de moerassige bodem waarop de kerk, en eigenlijk heel Ravenna, is gebouwd, staat de crypte onder water. Er zwemmen goudvissen in en op de mozaïekvloer liggen duizenden muntstukjes. Even verderop staat de San Apollinare Nuovo, een kerk uit de 6e eeuw die oorspronkelijk als een Ariaanse basiliek is gebouwd. Opvallend zijn de aan weerskanten aangebrachte mozaïekfiguren boven de zuilengalerij. Ik kan het toch niet nalaten te grinniken als ik zie dat de rij martelaren letterlijk tegenover een rij maagden is opgesteld. Zou dat het begin van het paradijs kunnen zijn?! Ook de weergave van de Drie Koningen is bijzonder vanwege de rare mutsjes die ze op hebben. In niets lijkt het op onze voorstelling tegenwoordig daarvan. Als laatste bezoeken we het Mausoleum van Theodorik. Het is een plomp gebouwtje met bovenin een grote, rode marmeren sarcofaag zonder deksel. De vogel is gevlogen. We nemen de auto om buiten de stad nog een bezoek te brengen aan San Apollinare in Classe. Deze vroeg-christelijke basiliek uit 549 is gebouwd naar een voorbeeld van een Romeinse basilica. Ook hier vormt de mozaïekversiering van het gewelf boven de apsis het hoogtepunt. De twaalf schapen (= de apostelen) trekken onmiddellijk de aandacht omdat ze eerder op slecht getekende paarden lijken, maar het geheel maakt ook hier een overrompelende indruk. Daarmee besluiten we een bezoek aan een stad dat een verplicht onderdeel uitmaakt van iedere ‘Grand Tour’ door Italië. De avond gebruik ik om samen met de studenten te eten, foto’s op de website te zetten en het dagverslag te maken. Morgen staat Ferrara op het programma.

Woensdag 16 maart

Vandaag ga ik alleen op stap. Ik besluit de rustige binnenweg naar Ferrara te nemen en geniet van de CD die Giovanni mij meegegeven heeft: de bootleg-nummers van Bob Dylan. Toch grappig dat alle de drie studenten gek zijn op zijn nummers. Zo herleeft een generatie later mijn studententijd weer; de tijd lijkt even stil te staan. Ferrara is dé stad in Italië als het om fietsen gaat. De binnenstad is afgesloten voor gemotoriseerd verkeer en je mag wel goed uitkijken dat je niet ondersteboven gereden wordt. Ik begin mijn bezoek bij het Castello Estense, het kasteel van de familie d’Este. Je ziet het al van verre liggen: een kasteel met vier grote torens. Na enige uitleg over de familiegeschiedenis gelezen te hebben (hier heeft o.a. Lucrezia Borgia, de onwettige dochter van paus Alexander VI en echtgenote van Alfonso d’Este, na 1502 gewoond), daal ik af naar de kerkers. Dat valt niet mee: eerst stoot ik mijn hoofd en daarna mijn rug. Aan deze kerkers is wederom een romantisch drama verbonden. Een van de Este-leiders was getrouwd en had enkele kinderen. Toen zijn vrouw overleed hertrouwde hij met een vrouw die net zo oud was als zijn oudste zoon: 20 jaar. En, jawel hoor, het kan niet missen, deze twee kregen een relatie die uiteindelijk eindigde via de kerkers op het schavot. Na dit dieptepunt zoek ik het maar wat hogerop: de beklimming van één van de vier torens, deTorre dei Leoni (de Leeuwentoren). Van bovenaf kun je goed het historische centrum zien, maar ook de industriële omgeving van Ferrara. Dicht bij de uitgang van het kasteel rust ik even een half uurtje uit en kijk naar hoogtepunten uit (voornamelijk) Italiaanse films die Ferrara als decor hebben. Uiteraard zit er ook een fragment in van De Sica’s Il Gardino dei Finzi-Contini, een verfilming van het boek van Giorgio Bassani’s boek ‘De tuin van de Finzi-Contini’s’. Dat is de schakel voor mijn volgende zoektocht, het graf van Bassani op het plaatselijke joodse kerkhof. Ik stippel een route uit die me voert naar Piazza Ariosto, een plein, het lijkt wel een oude renbaan, met in het midden een zuil en daar hoog bovenop een beeld van de dichter Ludovico Ariosto. Vlakbij ligt het joodse kerkhof, aan het eind van een doodlopende straat. De grote stalen deuren lijken gesloten, maar als ik er een duwtje tegenaan geef gaat hij open. Ik heb nog nooit zo’n merkwaardig kerkhof gezien. Het blijkt uit vier grote, met muren van elkaar afgescheiden, vrijwel verwilderde grasvlaktes te zijn opgebouwd. Net als ik met mijn zoektocht naar het graf van Bassani wil beginnen, komt er een vrouw naar me toe lopen. Zij vraagt hoe ik binnengekomen ben. Door de deur antwoord ik een beetje naïef. Ze kijkt me aan en ik zie dat ze een inschatting maakt. Uiteindelijk geeft ze me toestemming door te lopen maar niet nadat ik van haar een Kipa (een keppeltje) op mijn hoofd gespeld krijg. In de inmiddels al behoorlijk felle zon steek ik puffend grasveld na grasveld over en bekijk de verschillende bij elkaar gegroepeerde graven, maar dat van Bassani is nergens te vinden. Uiteindelijk wijst een tuinman mij de weg. Tussen diverse graven van de families Finzi’s en Contini’s vind ik in deze ‘tuin’, het kan bijna geen toeval meer zijn, het graf van Bassani. Het ligt apart van de andere graven en is te herkennen aan een liggend vierkant zwart marmeren blok met een rechtop staande koperen plaat met inscripties. Op het graf liggen naar joods gebruik losse steentjes. Hier ligt de schrijver die zo mooi het vooroorlogse joodse leven in Ferrara beschreven heeft en wiens boek een onuitwisbare indruk op mij gemaakt heeft. De tocht wordt voortgezet met een bezoek aan het huis waar Ludovico Ariosto zijn fameuze ‘Orlando Furioso’ (1526-1532) heeft geschreven. Op de terugweg naar het centrum kom ik voorbij het Palazzo dei Diamanti, te herkennen aan de puntige, piramideachtige façade, zo vaak het decor geweest van menige film. De tentoonstelling van Joshua Reynolds in het museum laat ik vanwege tijdgebrek schieten. Via een paar steegjes kom ik uit bij een nis met het borstbeeld van Torquato Tasso. In zijn goede tijd vermaakte hij het hof met zijn ‘Gerusalemme Liberata’, maar later zat hij in hetzelfde hof gevangen vanwege een verboden liefde met Leonora, de zus van hertog Alfonso. Het is bijna niet meer bij te houden met al die affaires. Een bezoek aan de kathedraal valt me tegen. Van buiten wel mooi, met name het prachtige voorportaal, van binnen valt het tegen. Het wordt tijd om weer terug te gaan naar Bologna. Via de synagoge aan de Via Mazzini en de steegjes van het vroegere joodse getto kom ik weer uit in de straat waar mijn auto geparkeerd staat. Op de terugweg sta ik bijna twee uur in de file bij Bologna, maar gelukkig troost Bob Dylan mij en blijkt bij thuiskomst Giovanni het eten al klaar te hebben. Hij heeft weer lekker en goed gekookt, Manlio en Brigitte hoeven zich geen zorgen te maken. Na het eten vindt er nog een geanimeerd gesprek plaats met Dario, Marco, Laura en Giovanni over de Italiaanse politiek en geschiedenis en opnieuw komt de fles whisky van Tom goed van pas. Het was weer een heerlijk sabbatsdagje.

Donderdag 17 maart

De dag van gisteren heeft er goed ingehakt. Pas na 9 uur word ik wakker. Behalve Giovanni is er nog niemand wakker, dus ik hoef me niet te schamen. Na het ontbijt ga ik naar de kapper in de Via Paolo Fabbri, de straat waar Giovanni woont. Hij heeft me deze kapper aangeraden en kent mijn voorkeur: oude, tandeloze mannetjes in ouderwetse ambachtelijke kapperszaakjes. En ja hoor, het is weer een klassiek geval. Hij weigert tondeuses of andere elektrische apparaten te gebruiken; alles alleen met schaar en scheermesjes. We raken aan de praat en hij vertelt dat hij de buurman is van een beroemd Italiaanse zanger: Francesco Guccini (dat wist ik overigens al van Giovanni, maar ik wilde het hem zelf laten zeggen). Er hangt een foto bij de spiegel waarop te zien is hoe hij Guccini knipt. Het wordt steeds gezelliger en als ik weg ga zegt Andrea, zo heet de kapper uit Palermo, dat ik vanmiddag maar even terug moet komen, dan stelt hij Guccini aan mij voor. Hij is op tournee en toevallig treedt hij hier in de buurt op, maar je mag hem niet vóór 3 uur ’s middags storen, want dan slaapt hij uit na een optreden. Giovanni valt bijna om van verbazing als ik hem vertel wat ik afgesproken heb. Daarna loop ik onder de arcaden van de Via Zamboni (waar veel oude universiteitsgebouwen staan) naar het centrum van Bologna. In een boekwinkel koop ik enkele boeken van Guccini. Behalve zanger schijnt hij ook een goed schrijver te zijn. Misschien iets om volgend jaar te vertalen tijdens de Italiaanse les?! Dan sta ik onder de twee grote torens die zo kenmerkend zijn voor Bologna: de torre pendenti, de scheven torens van Bologna. De laagste en scheefste toren heet de Torre Garisenda en is 48 meter hoog. Op die toren is een plaquette aangebracht met een citaat uit Dante’s Hel waarin hij deze toren vereeuwigt. De andere toren, de Torre degli Asinelli (uit 1159), is bijna 98 meter hoog. Na 498 treden kom ik bekaf boven aan. Sono stanco morto, maar het is het uitzicht meer dan waard. Tussen de middag eet ik een hapje en kom weer bij. Tijd om naar de Piazza Maggiore te gaan, het hart van het historische centrum. Giovanni vertelde me gisteren dat gezegd wordt dat je als student dat plein niet diagonaal mag oversteken, want dan haal je geen einddiploma. Aangezien ik dat al gehaald heb, loop ik als een van de weinigen er dwars overheen. Rare Italianen; als ze niet meer geloven in de katholieke kerk worden ze wel bijgelovig. Aan het plein staan allemaal gebouwen uit de 13 eeuw: de stadskerk San Petronio, het Palazzo del Podestà, het Palazzo Comunale (stadhuis) en het Palazzo dei Banchi , waar vroeger de kooplieden en banken zaten. De kerk ga ik niet meer in omdat ik daar twee jaar geleden al geweest ben. Even verderop staat ook nog het Palazzo di Re Enzo, genoemd naar de zoon van keizer Frederik II (mijn grote vriend) die tijdens de slag bij Fossalta in 1249 door de pausgezinde troepen gevangen genomen werd en in dit gebouw tot zijn dood 23 jaar later in de kerkers verbleef. Vanuit dit plein ga ik gewapend met een plattegrond van het VVV in cirkels om de ‘twin towers’ lopen. Langzaam maar zeker krijg ik greep op het stadscentrum en kan ik ook de bijnamen van de stad plaatsen: la Dotta (de geleerde) vanwege de oudste universiteitstad ter wereld (vanaf 1088), la Rossa (de rooie) vanwege het al jaren durende communistische stadsbestuur en la Grassa (de dikke) vanwege de goede keuken en het goede eten dat hier overal in overvloed te krijgen is. Een van de mooiste pleinen vind ik zelf het Piazzola di Santo Stefano, genoemd naar de fameuze maker van de Havo/VWO-geschiedenisexamens bij het Cito … . Geen gemotoriseerd verkeer en veel studenten die buiten op de grond in het zonnetje zitten. De Santo Stefano is trouwens een bezoek meer dan waard. Als je naar binnen gaat heb je geen idee in wat voor een complex je terecht komt. Het blijken meerdere kerken ineen te zijn: je komt binnen in de de Chiesa del Crocifisso, daarna loop je door naar de Chiesa del San Sepolcro of Calvario, vervolgens in de Chiesa dei Santi Vitale e Agricola en ten slotte via een portaal in de Chiesa della Trinità (allemaal gebouwd tussen de 11e en 14e eeuw). Er is hier in de buurt trouwens nog een kerk die vernoemd is naar een Citomedewerker: San Giovanni in Monte (uit 1045). Helaas blijkt bij terugkomst Francesco Guccini niet thuis te zijn en ook niet twee uur later. De kapper zegt dat we het morgen nog maar een keer moeten proberen. Tegen het eind van de middag ga ik met Giovanni naar Ivo Mattozzi in het prachtige universiteitsgebouw naast de San Giovanni in Monte. Hij kijkt een beetje verrast op want hij had mij afgelopen dinsdag verwacht. Misverstand dus. We wisselen wat boeken uit, praten een beetje en dan gaan we een slokje drinken in een naburig cafeetje. Giovanni moet hem beloven dat hij nog een keer contact met hem opneemt. We eindigen de avond met zijn tweetjes in een osteria waar ik Giovanni trakteer op een heerlijke maaltijd en waar we vervolgens een serieus gesprek heben. Giovanni is erg open, spraakzaam en serieus, wat ik erg waardeer. Het lijkt wel alsof er geen generatie tussen ons zit. Toch raar dat het bij kinderen van anderen eerder zo werkt dan bij je eigen kinderen, maar van de andere kant ook wel weer logisch. Hij voelt heel goed aan dat er twee kanten in hem zitten, een Italiaanse en een Nederlandse. De Italiaanse kant overheerst momenteel, maar hij wil graag de Nederlandse kant meer ontwikkelen. Deze zomer hoopt hij in Nederland daaraan te kunnen werken. Morgen belooft een bijzondere dag te worden. Ontmoetingen met eerst Bernardi, dan Mussolini en ten slotte Guccini. Eens kijken wat daar allemaal van terecht komt.

Vrijdag 18 maart

Aan de Via Castiglione 25 worden Giovanni en ik deze ochtend verwelkomd door Paolo Bernardi, medewerker van LANDIS (Laboratorio Nazionale per la Didattica della Storia; http://www.landis-online.it/), onderdeel van de landelijke organisatie ISMLI. Dit instituut is oorspronkelijk begin jaren zeventig opgericht als een instituut dat zich bezig hield met het verzetsverleden maar dat zich geleidelijk aan ontwikkeld heeft tot een instituut voor contemporaine geschiedenis, zowel nationaal als internationaal. Het instituut wordt gedeeltelijk betaald met overheidsgeld en gedeeltelijk door privé-instellingen. Naast het werk aan dit instituut geeft Bernardi zelf ook nog les aan een Istituto Professionale, dus hij weet waar hij het over heeft. Hij schetst de verwarrende situatie van dit moment in Italië: aan de ene kant wat het ministerie van Onderwijs formeel voorschrijft en aan de andere kant wat de feitelijke situatie momenteel op de scholen is (en dat is heel iets anders). Niet om vrolijk van te worden dus. De leerlingen hebben weliswaar allemaal tot hun 18e jaar verplicht geschiedenis, maar ze vinden het vak niet leuk. De inhoud van het vak bestaat uit een opsomming van feitelijke gebeurtenissen, droog beschreven in de lesboeken en net zo droog door leraren gebracht. Dat is ook niet zo vreemd omdat 1) de didactiek van geschiedenis nog te weinig serieus genomen wordt en te weinig ontwikkeld is 2) de docenten over het algemeen de schoolboeken (te) letterlijk volgen 3) geschiedenis te weinig als een apart vak gezien wordt, maar als onderdeel van Italiaans, kunstgeschiedenis en filosofie. Gevolg: motivatieproblemen bij zowel de leerlingen als de docenten. Als je in de luxe positie zit dat het vak voor iedereen tot 18 jaar verplicht is, komt dit toch wel een beetje als een anticlimax over. Het lijkt wel de omgekeerde situatie met Nederland! Op mijn vraag hoe het komt dat het vak deze positie verworven heeft in het Italiaanse onderwijs, geeft Bernardi de volgende twee redenen: 1) Na de fascistische periode wilde men graag een nieuw, meer idealistisch opgebouwd schoolsysteem. Het heeft even geduurd (tot 1960) voordat het nieuwe onderwijssysteem werd ingevoerd en tot die tijd gebruikte men de oude schoolboeken uit de fascistische tijd! Aan de (idealistische) basis van de vernieuwing lag geschiedenis, maar niet als een apart vak. Ieder vak moest gerelateerd worden aan het verleden, alles kreeg een historische context, maar het vak geschiedenis als apart schoolvak werd nauwelijks didactisch ontwikkeld! 2) Geschiedenis werd tot voor kort vooral gevuld met nationalistische geschiedenis en droeg bij aan een zeker nationalistisch sentiment (we kennen de roep hierom in Nederland recentelijk ook!). Dat laatste is nu wat aan het veranderen doordat er wat meer aandacht en interesse voor de internationale geschiedenis gekomen is. Ook de toetsing op scholen en de toetsing van Invalsi is nog sterk cognitief gericht. Daar komt bij dat bij het vak geschiedenis vooral de kennis en de toepassing van de Italiaanse taal getoetst wordt (tekstbegrip), iets wat vooral voor allochtone leerlingen een struikelblok blijkt te zijn. Het nieuwe onderwijssysteem van deze regering leidt er volgens hem toe dat er een tweedeling in de maatschappij ontstaat tussen het ‘verstand’ en de ‘handen’ waarbij de verstandige allochtone leerling geen mogelijkheid meer heeft om tussentijds over te stappen naar een hoger onderwijsniveau. In het primair onderwijs is de situatie beter. Daar is het uitgangspunt dat de leerlingen nog kinderen zijn waarbij je wel móet aansluiten bij hun belevingswereld. Dat betekent dat er meer ruimte is voor bijvoorbeeld omgevingsgeschiedenis, familiegeschiedenis en het maken van praktische opdrachten rondom een bepaalde probleemstelling. Bernardi pleit voor een evenwichtige benadering in het voortgezet onderwijs: enerzijds aandacht voor de canon/overzichtsgeschiedenis (maar dan nog slechts één keer in plaats van drie keer in de hele schooltijd!) en anderzijds een meer thematische en probleemgerichte benadering waar een groot beroep op vaardigheden en competenties gedaan wordt. Voor deze benadering komt geleidelijk aan meer steun, o.a. in de vorm van de didactische tegenhanger van Invalsi, Indire (http://www.puntoedu.indire.it/) genoemd (een soort SLO?!). Als ik zou willen kan ik in Florence, waar het instituut staat, contact opnemen met Alessandra Anichini. Ik voel me net een spin in het Italiaanse geschiedenisweb geworden … .
Na het gesprek lopen we terug naar huis. Ik neem de auto en ga op weg naar Prédappio, de plaats waar Benito Mussolini geboren en begraven is. Na anderhalf uur rijden kom ik in het dorp aan. De plaats kent één lange hoofdstraat, leidend naar een groot plein voor een kerk. Ik parkeer de auto op een ander plein, aan het begin van het dorp, en loop tussen twee met fascistische motieven beklede zuilengalerijen door naar boven waar op een heuveltje het geboortehuis van Mussolini staat. Er valt hier verder niet veel te zien. Ik loop terug naar de hoofdstraat om die verder af te lopen richting de kerk. Voor een winkel met wapperende Italiaanse vlaggen sta ik stil. Hier kun je allemaal boeken, T-shirts, beeldjes en andere prullaria van Mussolini kopen. Zelfs Mein Kampf van Hitler is hier zonder problemen verkrijgbaar. Ik krijg er wel een beetje de rillingen van over mijn rug. Het kerkhof waar Mussolini begraven ligt, bevindt zich ongeveer twee kilometer buiten het dorp. Op weg er naar toe fotografeer ik links en rechts diverse gebouwen waarvan de stijl overduidelijk de fascistische architectuur verraadt. Het kerkhof ligt er verlaten bij. De poorten zijn geopend en ik loop rechtdoor naar het kapelletje aan het eind van het hoofdpad. Rechts naast de kapel is een ingang naar de crypte onder de kapel waar Mussolini zou moeten liggen. Als ik naar beneden ga moeten mijn ogen een beetje wennen aan het duister en denk ik in eerste instantie twee wassen beelden te zien bij kaarslicht. Het blijken echter twee mannen te zijn die strak voor zich uit kijken en gehuld zijn in tot op de grond vallende zwarte capes. Ze houden de wacht voor het graf van Mussolini. Ik schrik me een hoedje, te meer omdat één van de twee sprekend op Mussolini lijkt: kaal hoofd, kin een beetje omhoog, strakke blik! Er is ook nog een derde persoon aanwezig. Hij heeft een zwart uniform aan met een zwarte koppelriem diagonaal over zijn lichaam gespannen, een zwarte pet op en … een donkere zonnebril in deze crypte. De wachters mogen geen woord spreken, maar hij wel. Het is toegestaan om foto’s te maken, maar zonder dat één van de aanwezige personen er op komt te staan. Half in een shock en een beetje geïntimideerd maak ik twee foto’s, één van de sarcofaag van Mussolini zelf en één van de andere aanwezige sarcofagen in de crypte; die van zijn ouders, vrouw en kinderen. Lang houd ik het niet uit in dit genootschap van engerds en het zal nog ruim een half uur duren voordat ik over de schok heen ben. Als ik het dorp uit rijdt, zie ik nóg twee grote winkels met Mussolini-prullaria en fascistische lectuur. Ik heb voldoende foto’s gemaakt van het een en ander om er thuis nog eens rustig naar te kijken en te analyseren. Maar goed dat er niet ook een dergelijke plaats voor Hitler ergens in de wereld is. Mijn inschatting is dat het lijkt alsof er een soort wederopleving van fascistische adoraties in dit land. Het afgelopen jaar zag ik bij een tankstation nabij Trento ook al een hele vitrine vol staan met deze rommel. Zou de huidige regering deze fascistische groeperingen minder in de weg leggen dan vorige regeringen?! Het lijkt er wel verdacht veel op.
Bij thuiskomst in Bologna ga ik direct samen met Giovanni door naar de zanger en schrijver Francesco Guccini. Het is nu of nooit als we hem willen ontmoeten. De kapper belt voor ons aan en … hij doet zelf open! Hij verontschuldigt zich omdat er op dat moment een interview plaats vindt. We moeten even geduld hebben, maar daarna zal hij ons te woord staan. Ondertussen zitten we met de kapper op de stoep voor zijn zaak in het zonnetje (25 graden!) een gesprek te voeren over van alles en nog wat, maar bovenal over zijn beroemde buurman en over de plaats waar de kapper zelf (‘Andrea’) oorspronkelijk vandaan komt: Palermo. Ik maak wat foto’s en beloof hem wat op te sturen. Dan gaat de deur open aan de Via Paolo Fabbri nummer 43 en nodigt de zanger/schrijver/dichter ons uit naar binnen te komen. We lopen door een grote hal vol muziekinstrumenten en een grote woonkamer met een vleugel naar de open keuken waar hij ons uitnodigt plaats te nemen aan een grote houten keukentafel. De tafel ligt half vol boeken en papieren in grote stapels opgestapeld. Achter hem is een grote oude keukenschouw te zien. Buiten heeft hij een klein tuintje. Als ik het goed begrepen heb van de kapper is hij niet getrouwd. Hij is vaak onderweg op tournee en we treffen het dat hij thuis is. Er zouden heel wat Italianen jaloers op ons zijn als ze zouden weten dat wij bij hem aan de keukentafel zaten. Francesco Guccini is geboren in 1940 in het plaatsje Pàvana (comune di Sambica Pistoiese), heeft daar de oorlogsjaren doorgebracht en is via Módena uiteindelijk in Bologna terecht gekomen. Hij is vooral bekend geworden als zanger, maar de laatste 20 jaar schrijft hij ook veel boeken. Recentelijk schrijft hij detectives samen met Loriano Macchiavelli. Gisteren heb ik drie boeken van hem gekocht waarvan ik er één aan Giovanni wil geven. Hij signeert ze met alle plezier, maar niet alleen dat, zowel Giovanni als ik krijgen zijn net herdrukte boek ‘cittanòva blues’ cadeau. We praten wat over zijn jeugd, de Italiaanse geschiedenis, het verschil tussen boeken schrijven en songteksten, mijn rare voorliefde voor oude, tandeloze kappertjes (die hij overigens deelt!), zijn bezoek aan Amsterdam in 1968 om de provobeweging beter te leren kennen, zijn bezoek aan een festival in Conegliano 20 jaar geleden (mede door Marcellino, de broer van Manlio, georganiseerd) om er samen met o.a. Alain Ginsbourg op te treden, en nog zo wat thema’s. Na een klein half uur is het gesprek afgelopen. We maken nog wat foto’s samen met hem bij zijn voordeur en daarna lopen we met een stapel boeken onder onze armen terug naar huis. Terwijl ik mijn dagverslag schrijf, maken Giovanni en Laura het ‘laatste avondmaal’. Ik deel wat cadeaus uit, inclusief twee flessen wijn die dezelfde avond al opgedronken worden met zijn allen, en we praten de hele avond gezellig aan de keukentafel over van alles en nog wat. We hebben allemaal een gezellige week gehad en het is jammer dat het er weer op zit. Morgen verkas ik naar Toscane waar ik voor twee weken een huisje gehuurd heb van Jan en Jet van Herwaarden in San Donato in Poggio (tussen Siena en Florence). Morgenavond komen Huub Hacking, Jeske Nelissen en Sjef van de Wiel mij gezelschap houden voor een weekje. Wanneer de volgende bijdrage gepubliceerd wordt weet ik nog niet, maar het zal ergens vanuit een internetcafé moeten gebeuren. Voor deze week zit het er op, het is enerverend genoeg geweest. Buone notte!